Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Voedsel verwerven
  4. Foerageren door het jaar

Hoofdstuk · Voedsel verwerven

Foerageren door het jaar

Een plukkalender voor Nederland, wat je laat staan, en hoe je een plukkaart en logboek bijhoudt

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · Het seizoen heeft zijn eigen gevaren

  • Paddenstoelen staan niet op deze kalender. Laat ze staan (03.04).
  • Vlierbessen alleen gekookt, bittere amandelen nooit, pitten niet kauwen (04.14).
  • In een droge lente of zomer is elk vuur op of bij heide, duin en bos levensgevaarlijk (01.12 Vuur maken en beheren). Pluk bij hitte vroeg in de ochtend en neem water mee (01.13 Onderkoeling en oververhitting).
  • Teken van maart tot oktober wordt getoetst in gras en struweel: controleer je huid elke avond (VK.B11 Beten en steken).
  • In herfst en winter wordt er gejaagd: draag felle kleding en blijf op paden wordt getoetst. Kijk op heide en in hoogveen uit voor adders wordt getoetst.
  • Schelpdieren alleen volgens 03.07; rood tij zie je niet altijd aan het water.
Een grootmoeder en een jongen met een schrift plukken bramen in een mand langs een haag op een rivierdijk, terwijl de zon ondergaat.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

Het landschap geeft niet wat je wilt, maar wat het seizoen heeft: in maart brandnetels, in oktober noten, in januari niets dan wortels en rozenbottels. De winter is de lege tijd. Wie dat ritme kent en opschrijft, weet een jaar vooruit wat waar komt, plukt op tijd, droogt voor de lege maanden en laat genoeg staan voor het jaar erna. Wie het niet opschrijft, is elk jaar te laat.

Als er nog hulp is Vraag oudere buren, boeren en herders wat zij vroeger plukten, waar en wanneer. Schrijf hun antwoorden nu op; die kennis verdwijnt met hen.

Eerst doen

  1. Koop of maak een kaart van de omgeving tot een uur lopen (14.05 Een lokale kaart maken) en teken erop wat je nu al weet: notenbomen, fruitbomen, brandnetelvelden, oevers.
  2. Begin een logboek: datum, plek, soort, deel, hoeveelheid, weer. Elke plukdag een regel.
  3. Loop elke week dezelfde route langs tien vaste punten en noteer wat er bloeit, rijpt of uitloopt.
  4. Pluk alleen wat je volgens 03.02 Wilde planten herkennen zeker kent, en laat alles staan uit 03.03 Giftige planten en dubbelgangers en 03.04 Paddenstoelen: waarom je ze laat staan.
  5. Droog, zout of leg in wat je in overvloed vindt (04.05 Drogen en bewaren), want de lege maanden komen zeker.
  6. Laat van elke plek minstens een derde staan, en de eerste en de laatste van het seizoen wordt getoetst.

Wat je nodig hebt

  • Een kaart met potlood en een paar kleuren, en een schrift dat in je jaszak past.
  • Een mand of katoenen tas, papieren zakken, een mes, een schaar, handschoenen.
  • Een plukstok met haak voor hoge takken, een zeil om onder een noten- of fruitboom te leggen.
  • Droogrekken, hordeuren of een zolder met tocht; potten en zout (04.05, 04.07 Zouten en pekelen).
  • Een kalender of een manier om de datum bij te houden (14.14 Tijd en kalender bijhouden).

Werkwijze

De kalender

De tabel hieronder geeft de maanden waarin je in een gemiddeld jaar mag zoeken. Alle maanden zijn richtwaarden die per jaar en plek weken verschuiven, en moeten voor jouw streek met je eigen logboek worden bevestigd wordt getoetst.

№SeizoenScheuten en bladBloemenVruchten, noten, zadenWortelsKust en zoet water
1Winter (december tot februari)Vogelmuur (hele jaar), winterpostelein, jong blad van look-zonder-look in milde wintersRozenbottel en sleedoorn na vorst, overgebleven meidoornbessenPaardenbloemwortelMosselen en oesters (03.07 Schelpdieren en de kust); zeegroenten niet
2Voorjaar (maart tot mei)Brandneteltop, zevenblad, look-zonder-look, paardenbloem, hondsdraf, kleefkruidtop, daslook (alleen volgens 03.03), zuring, hopscheut, jong meidoornblad, berkensap in maart door een tap wordt getoetstVlierbloesem (mei en juni), paardenbloem, madeliefjeStrandbiet, lamsoor vanaf april (waar het mag), waterkers alleen gekookt
3Zomer (juni tot augustus)Melde en melganzenvoet, postelein, jonge brandnetel na maaienLindebloesem (juni en juli), kamilleWilde aardbei (juni), framboos (juli), bosbes (juli en augustus), braam (vanaf augustus), wilde kersZeekraal en lamsoor, in Zeeland volgens de regels van 2023 alleen met vergunning in juli en augustus; lisdodde alleen uit schoon water (02.06 Chemische verontreiniging)
4Herfst (september tot november)Laatste brandnetel, vogelmuurVlierbes (alleen gekookt, 04.14 Voedsel dat giftig is als je het verkeerd bereidt), rozenbottel, meidoorn, sleedoorn na vorst, hazelnoot (september), walnoot en tamme kastanje (oktober), beukennootje (weinig wordt getoetst), eikel (oktober en november, uitlogen VK.D02 Eikels uitlogen en tot meel maken), verwilderde appel, peer, mispel, kweepeerPaardenbloem, grote klit (eerste jaar) wordt getoetstPaddenstoelen: laat ze staan (03.04)

Kust en zoet water

Aan de kust groeien zeekraal en lamsoor op schorren, en strandbiet en zeekool op dijken en stranden wordt getoetst. Lamsoor groeit van begin april tot eind september; het seizoen van gekweekte zeekraal loopt van mei tot begin september (Rijkswaterstaat). Het snijden is streng geregeld: in Zeeland alleen met een persoonlijke vergunning, in 2023 beperkt tot juli en augustus en 1 kilo per keer, omdat de planten groeien waar vogels broeden (NOS). Sindsdien kunnen de regels zijn veranderd wordt getoetst. Zeekool is zeldzaam; laat hem staan wordt getoetst. Schelpdieren, wier en de regels van rood tij staan in 03.07. Zoet water geeft waterkers, lisdodde en de uitheemse rode rivierkreeft wordt getoetst, die je altijd verhit (03.05). Alles uit sloot, beek en rivier eet je gekookt: de leverbot zit aan waterplanten waar vee graast (03.02), en water onder een dorp, een stad of een stal is vervuild (02.02 Bronnen herkennen, 02.06).

Paddenstoelen: alleen een waarschuwing

Elke herfst staat er eekhoorntjesbrood in de bossen, en een vergissing kan dodelijk zijn: één groene knolamaniet kan een volwassene doden (03.04). Daarom staan paddenstoelen niet op deze kalender. Alleen wie jaren naast een echte kenner oefent, leert op niveau III een handvol eetbare soorten kennen; ook dat staat in 03.04.

Wat je laat staan voor volgend jaar

  • Een derde per plek, de eerste en de laatste van het seizoen wordt getoetst. Zo blijft er zaad en blijven dieren gevoed. Staatsbosbeheer wijst erop dat eikels, kastanjes en beukennootjes wintervoedsel zijn voor muizen, herten en vogels (NOS).
  • Blad en scheut in plaats van wortel. Een paardenbloem of brandnetel die je boven de grond oogst, komt terug; een uitgegraven wortel niet. Graaf alleen wortels waar een soort in overvloed staat.
  • Niet alle bloesem. Vlierbloesem en lindebloesem zijn ook de vruchten en het zaad van later. Pluk van elke struik hooguit een kwart van de bloesem wordt getoetst.
  • Beschermde en zeldzame soorten. Zeekool is zeldzaam, en orchideeën en veel duinplanten zijn beschermd wordt getoetst. Wat je niet kent, laat je sowieso staan.
  • Broedvogels. Van april tot juli wordt getoetst blijf je van schorren, rietkragen en dichte struwelen weg; broedvogels zijn de reden achter de Zeeuwse regels.
  • Wisselen. Pluk een plek om het jaar, of om de twee jaar als ze achteruitgaat.
  • Teruggeven. Strooi zaad van melde en postelein uit op kale grond bij huis, steek wilgentenen, en plant noten en eikels op geschikte plekken (13.07 Zaden verzamelen en bewaren, 13.14 Herstel van ecosystemen). Geënte pruimen dragen na 2 tot 3 jaar, en bomen uit zaad veel later (13.08 Bomen en boomgaarden): begin daarom nu.

Een plukkaart maken

  1. Neem de lokale kaart (14.05) of teken een schets van huis, wegen, water en bos met de noordpijl.
  2. Geef elke vindplaats een nummer en een symbool per soortgroep: driehoek voor noten, rondje voor vruchten, blaadje voor groente, golfje voor water, kruisje voor gevaar (gespoten land, drukke weg, vee op de oever, hondenweide).
  3. Zet bij elk nummer in het schrift: soort, hoeveel planten of bomen, wanneer het klaar is, hoeveel je er het vorige jaar haalde, en van wie de grond is en of je mag.
  4. Teken ook wat je niet plukt maar wel moet kennen: de scheerlingen langs de sloot, de taxushaag (03.03).
  5. Houd twee kaarten: een werkkaart die mee naar buiten gaat, en een schone kopie thuis (16.01 Een kennisarchief). Een natte kaart is een verloren jaar.

Het logboek bijhouden

Elke plukdag één regel, altijd in dezelfde volgorde: datum, plek (nummer op de kaart), soort, plantdeel, stadium (knop, bloei, groen, rijp), hoeveelheid in gram of handen, weer van de laatste week, wie plukte, wat je ermee deed, en hoe het viel. Noteer ook de "eerste keren": de eerste brandneteltop, de eerste vlierbloesem, de eerste rijpe braam. Na één jaar heb je een kalender van je eigen streek; na drie jaar weet je ook hoeveel een jaar kan verschuiven. Maak elke maand een samenvatting op één bladzijde: wat kwam er binnen, wat ging de droogrekken op, wat is er nog over. Die bladzijde is de basis voor de rantsoenplanning (VK.D06 Rantsoenen plannen voor een groep en een winter, 15.07 Voorraad beheren). Houd ook bij wat niet lukte en waarom: een leeggegeten brandnetelveld, een kersenboom die de spreeuwen eerder vonden, een plek die achteruitgaat.

Bewaren voor de lege maanden

Wat in overvloed komt, komt kort. Droog brandnetel, kaasjeskruid en lindebloesem in de schaduw; droog appels, peren en pruimen boven de kachel, in de zon alleen bij droog weer; rooster en maal uitgeloogde eikels tot meel; leg zeekraal in zout; maak van vlierbes en braam ingekookt sap of siroop, van rozenbottel gedroogde schillen voor thee (04.05, 04.07, 04.09 Inmaken en het botulismegevaar). Noten blijven in de dop maanden goed op een droge, muisvrije plek wordt getoetst (VK.D05 Voorraad beschermen tegen muizen, ratten en motten). Reken erop dat vitamine C bij drogen grotendeels verdwijnt wordt getoetst; daarvoor zijn in de winter vogelmuur, kool, rozenbottel en kiemen er (03.01 Wat het lichaam nodig heeft, 04.12 Tekorten herkennen: scheurbuik en meer).

Zo weet je dat het werkt

  • Je kaart voorspelt: je loopt naar plek 7 omdat het eind maart is en vindt daar inderdaad brandnetels.
  • Elke maand van het jaar staat er minstens één wilde groente of vrucht op tafel, ook in de lege maanden uit voorraad.
  • De plekken geven elk jaar evenveel of meer; geen plek is kaal.
  • Een ander kan met jouw kaart en schrift zonder jou dezelfde oogst vinden.
  • De eerste-keer-data in je logboek liggen na drie jaar in een band van enkele weken.
  • Let op: een volle mand bewijst niet dat je goed plukt. Kijk ook naar wat je achterlaat.

Zo weet je dat het misgaat

  • Een plek wordt elk jaar kleiner of de planten blijven klein: je plukt te veel of te vroeg. Twee jaar met rust laten en elders zoeken.
  • Je komt steeds te laat (de bramen zijn op, de noten weg): loop de wekelijkse route vaker in de piekweken en noteer de eerste-keer-data.
  • Iemand wordt ziek na vruchten: denk aan rauwe vlierbes en bittere amandelen (04.14), en aan onrijpe sleedoorn wordt getoetst; zie ook 03.03.
  • Misselijkheid, tintelende lippen of diarree na schelpdieren: rood tij of bedorven; volg 03.07 en 07.06 Uitdroging en de drinkoplossing.
  • Ruzie met een grondeigenaar of herder: stop, en regel ruil of toestemming (15.06 Ruil en samenwerking).
  • De kaart is weg of nat: werk vanaf de kopie en maak meteen een nieuwe werkkaart.

Gevaar · Het seizoen heeft zijn eigen gevaren

  • Paddenstoelen staan niet op deze kalender. Laat ze staan (03.04).
  • Vlierbessen alleen gekookt, bittere amandelen nooit, pitten niet kauwen (04.14).
  • In een droge lente of zomer is elk vuur op of bij heide, duin en bos levensgevaarlijk (01.12 Vuur maken en beheren). Pluk bij hitte vroeg in de ochtend en neem water mee (01.13 Onderkoeling en oververhitting).
  • Teken van maart tot oktober wordt getoetst in gras en struweel: controleer je huid elke avond (VK.B11 Beten en steken).
  • In herfst en winter wordt er gejaagd: draag felle kleding en blijf op paden wordt getoetst. Kijk op heide en in hoogveen uit voor adders wordt getoetst.
  • Schelpdieren alleen volgens 03.07; rood tij zie je niet altijd aan het water.

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1Een kaartEen schets met huis, wegen en water, en stappen tellen (VK.F09 Afstand meten met je pas)
2Een schriftEen plank of een muur met krijt voor de maand, en overschrijven zodra er papier is (11.11 Papier maken)
3Kennis van de streekEén jaar waarnemen voordat je op de kalender vertrouwt; vraag oudere bewoners en herders
4DroogrekkenHordeuren, oude gordijnen op een raamwerk, een auto in de zon met de ramen op een kier (DK.01 De auto)
5Een mandEen katoenen tas, een emmer, een jas als buidel; geen dichte plastic zak
6Toestemming van een eigenaarRuil: een deel van de oogst of werk voor toegang (15.06)
7Zout voor inleggenDrogen in plaats van pekelen; zout winnen aan de kust (11.06 Zout winnen)

Achtergrond

Planten volgen daglengte, temperatuur en water. Het lange, natte voorjaar maakt de grote groene golf van maart tot mei en de winter legt alles stil; daarom zijn de noten en wortels van de herfst de winterkost. Een kaart en een logboek maken van geheugen kennis die overdraagbaar is en van een goed jaar een maat voor een slecht.

Bewijs: de seizoenen van lamsoor en zeekraal en de Zeeuwse regels van 2023 B (Rijkswaterstaat, NOS). De maanden in de kalender C: algemene kennis, geen geopende bron, en per plek anders. Plukregels als een derde en een kwart C: redelijke huisregels, niet onderzocht.

Volgende niveau

Op niveau II worden de beste wilde soorten tuinplanten: een brandnetelbed op de mesthoop, postelein en melde op kale grond (13.04 Een moestuin beginnen). Je plant walnoot, kastanje en hazelaar (13.08) en bewaart zaad van alles wat goed deed (13.07). Op niveau III deelt de groep kaarten en logboeken van meerdere plukkers in één archief (16.01), spreekt plukgebieden af met buren (15.06) en bouwt zo een lokaal voedselsysteem waarin wild, tuin en vee elkaar aanvullen (13.13 Een lokaal voedselsysteem).

Controlelijst

  • Ik heb een plukkaart met genummerde vindplaatsen, symbolen en gevaren, en een kopie thuis.
  • Ik schrijf elke plukdag één regel in het logboek en noteer de eerste keer van elke soort.
  • Ik ken voor mijn streek de lege maanden en heb daarvoor gedroogd, gezouten of ingelegd.
  • Ik laat van elke plek een derde staan, en de eerste en de laatste van het seizoen.
  • Ik graaf geen wortels waar een soort schaars is en pluk geen beschermde soorten.
  • Ik eet alles uit sloot, beek en rivier gekookt en volg voor schelpdieren 03.07.
  • Ik zet geen paddenstoelen op mijn kalender.
  • Ik loop elke week dezelfde route en pas de kalender aan op wat ik zie.

Verantwoording

Niet onderbouwd en daarom gemarkeerd: alle maanden in de kalender behalve lamsoor en zeekraal (uit het hoofd geschreven, geen bron geopend), berkensap, beukennootjes, grote klit, de zeldzaamheid en bescherming van zeekool en duinplanten, de huidige Zeeuwse regels na 2023, broedmaanden en tekenseizoen, de regels van een derde en een kwart, drogen en vitamine C, de jacht in herfst en winter en adders. De jaren tot een boom draagt komen uit 13.08. Getoetst door: nog niet.

Open in de app en bewaar offline