Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Voedsel verwerven
  4. Giftige planten en dubbelgangers

Hoofdstuk · Voedsel verwerven

Giftige planten en dubbelgangers

Wat je niet honderd procent kent, eet je niet

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · Geen eetbaarheidstest, geen braakmiddel, geen gok

  • Doe nooit een eetbaarheidstest. Hij waarschuwt pas als het te laat is.
  • Laat iemand na een plantvergiftiging nooit braken met een vinger, zout water of zeep.
  • Kauw nooit op zaden van wonderboom, taxus of doornappel, en laat kinderen er niet mee spelen.
  • Verbrand geen oleander of taxus en gebruik het hout niet voor spiezen of eetgerei wordt getoetst.
  • Twijfel is: niet eten.
In een voorjaarsbos bekijken een oudere man en een meisje één blad van daslook, met een veldgids op zijn knie.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

In Nederland groeien planten waarvan een handvol blaadjes, een stukje wortel of een paar gekauwde zaden een volwassene kan doden. Ze lijken op peterselie, wortel, selderij, daslook of smeerwortel. Zonder ziekenhuis is er geen tegengif, geen beademing en geen hartbewaking. Herkennen en laten staan is de enige behandeling die zeker werkt.

Als er nog hulp is Bel bij een vermoeden direct de huisarts of 112. Neem de plant, een foto en het tijdstip van eten mee.

Eerst doen

  1. Eet niets wat je niet honderd procent kent: de soort, het plantdeel, het seizoen en de bereiding.
  2. Pluk op niveau I geen enkele schermbloemige: planten met witte of gele schermen, zoals wilde peen, fluitenkruid en wilde venkel.
  3. Pluk daslook blad voor blad en ruik aan elk blad apart, met schone vingers.
  4. Leer kinderen: niets uit tuin, berm of bos in je mond zonder het eerst te vragen.
  5. Raak reuzenberenklauw, oleander en wonderboom alleen aan met handschoenen en lange mouwen.
  6. Bij een vermoeden van vergiftiging: haal resten uit de mond, laat niet braken, bewaar de plant en noteer de tijd.

Wat je nodig hebt

  • Een gedrukte flora of veldgids met tekeningen voor jouw streek (03.02 Wilde planten herkennen).
  • Een loep, een klein mes, papieren zakjes, potlood en labels.
  • Handschoenen en kleding met lange mouwen.
  • Een plantenkaart van je omgeving en een schrift: wat je plukte, waar, wanneer, welk deel.
  • Voor eerste hulp: water, een emmer, een zakje voor de plant, een klok en een lampje voor de pupillen.

Werkwijze

De harde regel: honderd procent of niet

Je kent een plant pas als je hem herkent aan meerdere kenmerken tegelijk: blad, stengel, bloem, wortel, geur, groeiplek en seizoen. Laat een tweede persoon die de plant kent apart controleren. Dit is geen bewijs:

  • Dieren eten het. Kwartels eten scheerlingzaad zonder ziek te worden; mensen die zulke kwartels aten, werden wel ziek wordt getoetst.
  • Het smaakt niet bitter. Waterscheerling en herfsttijloos zijn niet duidelijk bitter wordt getoetst.
  • Koken maakt het veilig. Bij de meeste planten in dit hoofdstuk helpt koken niet wordt getoetst.
  • Een app zegt het. Een app kan een richting geven, maar geen zekerheid wordt getoetst.

Pluk nooit handenvol tegelijk: één verkeerd blad is genoeg.

Waarom een eetbaarheidstest gevaarlijk is

Sommige survivalboeken beschrijven een eetbaarheidstest: een plant tegen huid en lip houden, een stukje kauwen en uren wachten. Doe dit nooit. Bij de gevaarlijkste planten werkt hij niet:

  • Herfsttijloos geeft pas na 2 tot 12 uur klachten (WHO), en de zwaarste schade volgt dagen later.
  • Jakobskruiskruid beschadigt de lever langzaam, over weken of maanden, zonder vroege klachten wordt getoetst.
  • Bij dodemansvingers en waterscheerling kan al een kleine hoeveelheid plant een zware vergiftiging geven (Schep e.a. 2009). Reken op een klein stukje wortel wordt getoetst.
  • Gekauwd zaad van de wonderboom geeft de zware klachten pas na 3 tot 6 uur (WHO), en dan is er geen behandeling wordt getoetst.

Een test die pas na een dodelijke dosis alarm slaat, is geen test.

Schermbloemigen: laat ze staan

Wilde peen, fluitenkruid, pastinaak, peterselie, venkel en selderij zijn schermbloemigen, net als gevlekte scheerling, waterscheerling, hondspeterselie en dodemansvingers. Ze lijken sterk op elkaar, vooral voor de bloei. Op niveau I pluk je er geen enkele van.

№PlantZo herken je hemWaarom je hem laat staan
1Gevlekte scheerling (Conium maculatum)Tot ongeveer 2,7 meter. Holle stengel met paarse vlekken. Bij kneuzen een onaangename, muisachtige geur (WHO). Witte schermen, vooral in juni tot augustus. Bermen, ruigtes, slootkanten wordt getoetstVerlamt de spieren, ook van de ademhaling. Zes tot acht verse bladeren zijn misschien al dodelijk (WHO). Lijkt op peterselie, venkel en fluitenkruid wordt getoetst
2Waterscheerling (Cicuta virosa)Groeit in en aan water. Dikke wortelstok die doorgesneden holle kamers toont, met geelachtig sap wordt getoetstZware stuipen, vaak binnen een uur wordt getoetst. Wordt aangezien voor pastinaak, selderij of wortel
3Dodemansvingers (Oenanthe crocata)Vochtige plekken. Sterke selderijgeur. Knolwortels tot 10 cm met geel tot oranje sap wordt getoetstStuipen en ademstilstand. Zonder intensieve zorg kunnen de stuipen dodelijk zijn (Schep e.a. 2009). Lijkt op selderij en pastinaak wordt getoetst
4Hondspeterselie (Aethusa cynapium)Tuinen en akkers. Onaangename geur, lange hangende blaadjes onder de kleine schermpjes wordt getoetstWordt met peterselie verward
5Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum)3,5 tot 5 meter. Witte schermen tot 50 cm doorsnee, vanaf juli. Stengel rood tot paars gevlekt. Bermen en langs waterSap plus zonlicht geeft na ongeveer een dag zware blaren, die pas na 1 tot 2 weken genezen. De kleinere gewone berenklauw heeft een milder maar vergelijkbaar sap wordt getoetst

Sap van berenklauw op je huid: was direct met water en zeep en houd die huid minstens twee dagen uit de zon wordt getoetst. Blaren behandel je als brandwond (07.05 Brandwonden). Sap in de ogen: lang spoelen (VK.B10 Oogletsel spoelen en afdekken).

Daslook en zijn dubbelgangers

Daslook groeit in het voorjaar in vochtige loofbossen. Elk blad staat op een eigen steeltje uit de grond, is dun en ruikt bij kneuzen sterk naar knoflook. Het Duitse Bundesinstitut für Risikobewertung meldt elk voorjaar vergiftigingen, soms dodelijk, door verwarring met:

  • Lelietje-van-dalen. Meestal twee bladeren die samen de stengel omsluiten, zonder knoflookgeur wordt getoetst. Witte klokjes, later rode bessen. Alle delen zijn giftig, vooral bloemen, bessen en bladeren. Een paar bessen geven misselijkheid en braken, grotere hoeveelheden hartritmestoornissen (BfR).
  • Herfsttijloos. In het voorjaar komen glanzende, stevige bladeren in een bundel recht uit de grond, zonder steeltje en zonder geur. De roze tot lila bloemen verschijnen pas in de herfst, zonder blad wordt getoetst. Het gif, colchicine, geeft na 2 tot 12 uur braken en hevige diarree. In de eerste drie dagen kan iemand overlijden aan shock; tussen dag 3 en dag 10 volgen uitval van het beenmerg, bloedingen en nierfalen (WHO).
  • Gevlekte aronskelk. Pijlvormige bladeren met een netwerk van nerven, vaak donker gevlekt, zonder knoflookgeur. Later een kolf met rode bessen. Geeft branden en zwellen van mond en keel wordt getoetst.

De valkuil van de geurtest: zodra je vingers naar knoflook ruiken, ruikt elk blad naar knoflook. Ruik daarom aan elk blad apart en veeg of was je vingers tussendoor. Twijfel je bij één blad, gooi dan de hele oogst weg.

Hartgif: vingerhoedskruid, oleander en taxus

Deze planten vertragen of ontregelen het hart. Klachten: braken, duizeligheid, wazig zien en een trage of onregelmatige pols.

  • Vingerhoedskruid. In het eerste jaar alleen een rozet van grote, gerimpelde bladeren (BfR). Die lijken op smeerwortel of bernagie wordt getoetst. In het tweede jaar een bloeistengel van een meter of hoger met paarse klokken aan één kant wordt getoetst. Blad, bloem en zaad zijn giftig (BfR).
  • Oleander. Kuip- en tuinplant, hier vaak in potten op terrassen en balkons wordt getoetst. Struik met leerachtige, smalle bladeren van 10 tot 22 cm, vaak met drie bij elkaar, en roze, rode of witte bloemen. Alles is giftig, ook het sap, vers, gedroogd of gekookt. Eén goed gekauwd blad is al dodelijk gebleken, en bij een kind kan één blad dodelijk zijn (WHO). Gebruik het hout nooit als spies of voor eetgerei (VK.H05 Een lepel snijden) en verbrand het niet; de rook kan ook giftig zijn (WHO) (01.12 Vuur maken en beheren). Snoei met handschoenen.
  • Taxus. Groenblijvende struik of boom, veel in heggen en tuinen wordt getoetst. Platte, donkergroene naalden van 1 tot 3 cm met twee lichte banden aan de onderkant wordt getoetst, en rode, vlezige bekertjes rond een zaad. Alles is giftig behalve het rode vruchtvlees; ook het zaad, als je erop bijt (BfR). Klachten beginnen na 30 tot 90 minuten. Een dodelijke dosis kan binnen een paar uur doden, volgens een gevalsbeschrijving vaak binnen twee uur (Journal of Medical Case Reports 2014) wordt getoetst. Ook vee sterft aan snoeiafval wordt getoetst (13.10 Dierhouderij begrijpen).

Doornappel en wolfskers: heet, droog en verward

  • Doornappel. Tot ongeveer 1,2 meter (BfR), onaangenaam ruikend wordt getoetst, met grote witte tot paarse trompetbloemen en een stekelige vrucht vol zwarte zaadjes. Groeit langs wegen, op braakland, moestuinen en akkers. Alles is giftig, vooral blad, wortel en zaad (BfR). In Amerikaanse gevallen ging het om 30 tot 50 zaadjes per persoon (CDC). Reken op minder: het gif wisselt per plant wordt getoetst. Zaad kan tussen eigen geoogste bonen, boekweit of spinazie terechtkomen wordt getoetst. Kijk je oogst daarom na.
  • Wolfskers. Glanzende, blauwzwarte, zoetige bessen die op kersen lijken (BfR), in een groene ster van kelkblaadjes wordt getoetst.
  • Engelentrompet. Tuinplant met grote hangende trompetbloemen; werkt hetzelfde.

De klachten beginnen meestal binnen 30 tot 60 minuten en kunnen 24 tot 48 uur duren (CDC): een hete, rode, droge huid, wijde pupillen, een snelle pols, niet kunnen plassen, verwardheid en hallucinaties wordt getoetst. Leg iemand op een koele, rustige, schemerige plek en blijf erbij.

Wonderboom (ricinus)

Struik van 1,5 tot 2,5 meter met grote, handvormige bladeren tot 50 cm (BfR), en stekelige vruchten met drie glanzende, bruin gevlekte zaden van 1 tot 2 cm, als een teek wordt getoetst. Hij staat hier in tuinen, perken en potten wordt getoetst. Heel ingeslikte zaden geven meestal geen vergiftiging, maar gekauwde zaden wel. Twee tot vier gekauwde zaden kunnen een volwassene ernstig vergiftigen en acht zijn meestal dodelijk; bij een kind kunnen één tot drie zaden dodelijk zijn (WHO). Rijg geen kettingen van de zaden en pers er nooit zelf olie van.

Jakobskruiskruid: langzaam gif

Tot 80 cm hoog, met diep ingesneden bladeren en gele bloemhoofdjes van ongeveer 2 cm wordt getoetst, van de zomer tot de herfst. Algemeen in bermen en weilanden wordt getoetst. Zijn pyrrolizidine-alkaloïden beschadigen de lever langzaam en stapelen zich op; er is geen tegengif wordt getoetst. Het RIVM adviseert er zo weinig mogelijk van binnen te krijgen, omdat ze kanker kunnen veroorzaken. Nooit in thee of salade. Vee laat de verse plant meestal staan, maar eet hem gedroogd in hooi wel wordt getoetst. Haal hem uit hooiland (13.10).

Nog een paar om te kennen

№PlantWaarWaarom laten staan
1Bitterzoet en zwarte nachtschadeHeggen, oevers, moestuinenRode of zwarte bessen die kinderen aantrekken wordt getoetst
2LaurierkersHeggen en tuinenBlad en pit vormen blauwzuur wordt getoetst

Paddenstoelen hebben een eigen hoofdstuk: 03.04 Paddenstoelen: waarom je ze laat staan. Voedsel dat pas door bereiding veilig wordt, staat in 04.14.

Bij een vermoeden van vergiftiging zonder hulp

  1. Haal alle resten uit de mond. Laat spoelen en uitspugen.
  2. Laat niet braken. Geen vinger in de keel en geen zout water. Braken haalt grote stukken plant zelden weg en iemand kan zich verslikken, zeker bij stuipen of sufheid. Veel van deze planten geven vanzelf braken.
  3. Geef geen melk, olie of alcohol. Melk is geen tegengif wordt getoetst.
  4. Bewaar de plant en eventueel braaksel. Noteer wat, welk deel, hoeveel, hoe laat, en wie er nog meer van at.
  5. Tel elke 15 minuten pols en ademhaling, kijk naar pupillen en huid, en vraag iets om te zien of hij helder is. Doe dat minstens 12 uur wordt getoetst; na mogelijk herfsttijloos dagenlang.
  6. Bewusteloos maar ademt hij: stabiele zijligging (VK.B07). Ademt hij niet: reanimeer (VK.B06). Bij stuipen: niets in de mond, hoofd beschermen (VK.B13 Een epileptische aanval begeleiden). Zie ook 07.16 Acute noodgevallen.
  7. Braken en diarree: een drinkoplossing in kleine slokjes zodra hij helder is (07.06 Uitdroging en de drinkoplossing).
  8. Actieve kool kan gif in de darm binden als iemand helder is en het snel krijgt wordt getoetst. Nooit bij sufheid of stuipen. De dosering staat in de doseertabel die een arts voor dit boek opstelt wordt getoetst.

Zo weet je dat het werkt

  • Iedereen kan de vijf gevaarlijkste planten van de eigen streek aanwijzen, ook zonder bloem.
  • Alles wat wordt gegeten, is door twee mensen apart herkend.
  • Daslook komt blad voor blad binnen, nooit als bos.
  • Kinderen vragen eerst voordat ze iets in hun mond stoppen.
  • Oleander en taxus komen nooit in het vuur, aan een spies of in de keuken.
  • Let op: dat niemand ziek wordt, bewijst niet dat een plant veilig is. Herfsttijloos en jakobskruiskruid werken traag.

Zo weet je dat het misgaat

  • Branderige mond, kwijlen en dikke lippen. Vaak aronskelk. Laat uitspugen en spoelen, geef slokjes koud water. Benauwd: rechtop zitten en de ademweg bewaken (07.16).
  • Braken en een trage of onregelmatige pols. Denk aan hartgif. Leg hem plat, laat hem niet lopen, tel de pols elke 15 minuten en houd reanimatie klaar.
  • Spierzwakte en moeite met ademen. Denk aan gevlekte scheerling. Houd de ademweg vrij en wees klaar om te beademen (VK.B06).
  • Stuipen kort na het eten van een wortel. Denk aan waterscheerling of dodemansvingers. Bescherm het hoofd; na de stuip zijligging.
  • Heet, rood, droog, wijde pupillen en verward. Denk aan doornappel of wolfskers. Koel en rustig houden, iemand blijft erbij.
  • Blaren een dag na maaien of spelen in het groen. Denk aan berenklauw. Uit de zon, koelen, behandelen als brandwond (07.05).
  • Hevige diarree uren tot een dag na wilde bladeren. Denk aan herfsttijloos, ook als het daslook leek. Drinkoplossing en rust; dit kan na dagen nog levensgevaarlijk worden.

Gevaar · Geen eetbaarheidstest, geen braakmiddel, geen gok

  • Doe nooit een eetbaarheidstest. Hij waarschuwt pas als het te laat is.
  • Laat iemand na een plantvergiftiging nooit braken met een vinger, zout water of zeep.
  • Kauw nooit op zaden van wonderboom, taxus of doornappel, en laat kinderen er niet mee spelen.
  • Verbrand geen oleander of taxus en gebruik het hout niet voor spiezen of eetgerei wordt getoetst.
  • Twijfel is: niet eten.

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1VeldgidsNiet eten wat je niet kent; maak een eigen plantenschrift met tekeningen
2Een tweede kennerNiet eten. Bewaar een blad en vraag het later
3HandschoenenPlastic zakken over je handen, lange mouwen, daarna wassen met zeep
4Actieve koolGeen vervanger. Houtskool uit het vuur werkt niet hetzelfde wordt getoetst
5LoepEen leesbril of een omgekeerde verrekijker
6Foto'sEen tekening met maten, en het plantdeel in een papieren zakje

Achtergrond

Planten maken gif om niet opgegeten te worden. Coniine uit gevlekte scheerling werkt als een zware dosis nicotine en verlamt de spieren. Waterscheerling en dodemansvingers overprikkelen het zenuwstelsel wordt getoetst. Vingerhoedskruid, oleander, lelietje-van-dalen en taxus ontregelen het hart; doornappel en wolfskers blokkeren een boodschapperstof in de zenuwen; herfsttijloos stopt de celdeling. De meeste van deze stoffen overleven koken en drogen. Braken opwekken haalt weinig weg en geeft verslikking. Bewijs: giftigheid van de genoemde planten B (WHO-monografieën, BfR, CDC en gevalsbeschrijvingen; niet elke soort staat daarin). Geen braken opwekken B (positie van de Amerikaanse en Europese verenigingen van toxicologen). Geurtest bij daslook als enige controle C. Actieve kool zonder deskundige C. Eetbaarheidstest D.

Volgende niveau

Op niveau II maak je een herbarium en plantenkaart van je omgeving, met blad, bloem, vrucht en wortel door het jaar heen. Leer de eetbare planten van 03.11 Foerageren door het jaar pas als je de dubbelgangers kunt aanwijzen. Laat een botanicus je kennis toetsen zolang dat kan. Zie ook 07.13 Medicinale planten met bewijs en 06.07 Zorg voor kinderen.

Controlelijst

  • Ik eet alleen wat ik honderd procent ken, en een tweede persoon heeft het apart herkend.
  • Ik pluk op niveau I geen wilde schermbloemigen.
  • Ik pluk daslook blad voor blad en ruik aan elk blad apart.
  • Ik herken oleander, taxus, doornappel, wonderboom en vingerhoedskruid in mijn omgeving.
  • Ik raak reuzenberenklauw alleen aan met handschoenen en lange mouwen.
  • Ik laat iemand met een vergiftiging niet braken en bewaar de plant.
  • Ik verbrand geen oleander of taxus en gebruik ze niet als spies.

Verantwoording

Niet met een primaire bron onderbouwd en daarom gemarkeerd: de kwartels, koken als schijnzekerheid, de kenmerken en werking van waterscheerling, de kenmerken van dodemansvingers, hondspeterselie, herfsttijloos en aronskelk, de groeiplek en dubbelgangers van gevlekte scheerling, de herkenning van lelietje-van-dalen, de hoogte van vingerhoedskruid, de naalden van taxus, de zaadmaat van wonderboom, het verloop van jakobskruiskruid, de verwarring van vingerhoedskruid met smeerwortel, het voorkomen van oleander, taxus en wonderboom in Nederland, de bloemmaat van jakobskruiskruid, melk als tegengif, 12 uur bewaken, actieve kool en houtskool, en twee dagen uit de zon na berenklauw. Getoetst door: nog niet.

Open in de app en bewaar offline