Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Landbouw, dieren & ecosystemen
  4. Herstel van ecosystemen

Hoofdstuk · Landbouw, dieren & ecosystemen

Herstel van ecosystemen

Bodem, bos, oevers en weide terugbrengen, en de tijd en de afspraken die dat vraagt

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · Verbrand land, geulen en waterlopen

  • Verbrand bos: dode bomen en takken vallen zonder waarschuwing, ook dagen later. Verbrande wortels laten gaten achter vol hete as. Ga niet bij wind, draag stevige schoenen en werk met twee mensen wordt getoetst.
  • Op veen kan vuur wekenlang onder de grond smeulen. De grond ziet er dan koud uit en kan onder je wegzakken wordt getoetst.
  • Na brand kan zelfs een gewone bui modderstromen geven. Slaap en bouw niet in dalen onder een verbrande helling wordt getoetst.
  • Werk nooit in een geul of holle weg als er ergens regen valt. Een geul kan plots vol stromen, ook als het bij jou droog is wordt getoetst.
  • Werk niet alleen aan een oever of bij hoog water. Modder en wondjes kunnen leptospirose geven (06.11 Luizen, vlooien, muggen en ratten).
  • Steile wanden van een geul kunnen op je vallen. Graaf er niet onder wordt getoetst. Til zware stenen volgens VK.K02 Tillen en dragen zonder je rug te slopen.
  • Stuur water nooit naar de buren: een dam of greppel kan hun land of huis kosten (02.14 Hoogwater, dijken en gemalen).
Drie mensen knielen op zandgrond aan de rand van de heide en zaaien eikels in kuiltjes, met een mand eikels naast zich en een gevlochten takkenhek achter hen.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

Een groep die jaren op eigen land leeft, kapt voor brandhout, laat dieren grazen en krijgt vroeg of laat een brand of een stortbui. Dan spoelt de grond weg die alles draagt. De FAO schrijft dat het tot 1000 jaar kan duren om 2 tot 3 cm bodem te vormen, en dat erosie op akker en sterk beweid land 100 tot 1000 keer sneller gaat dan van nature. Wat je kwijtraakt, krijg je in je leven niet terug. Herstel werkt wel, maar het is traag en mislukt als je het alleen doet. Dit hoofdstuk is voor wie over twintig jaar nog water, hout en weide wil hebben.

Als er nog hulp is Vraag eerst wat mag. Vellen van bos vanaf 10 are of een rij van meer dan 20 bomen buiten de bebouwde kom meld je vooraf. Wat is geveld of door brand of storm verloren ging, moet terug op dezelfde grond, na vellen binnen 3 jaar (Besluit activiteiten leefomgeving, artikelen 11.126 en 11.129). Natuurlijke verjonging telt meestal mee. De provincie is meestal bevoegd en kan strenger zijn wordt getoetst. Bij waterlopen beslist het waterschap wordt getoetst. Vraag de boswachter om mee te kijken.

Eerst doen

  1. Stop de oorzaak: dieren eruit, geen kap, geen vuur, water dat van elders komt afvangen.
  2. Loop tijdens of na een bui over het land en kijk waar het water echt gaat.
  3. Kijk wat al vanzelf terugkomt. Bescherm dat, voordat je iets plant.
  4. Vang water eerst bovenaan af en bescherm wat nog gezond is. Dammen in een geul bouw je daarna van onder naar boven.
  5. Kies één helling, één geul, één stuk oever. Liever klaar dan half.
  6. Maak afspraken: wie mag hier wat, en wie kijkt erna (15.01 Afspraken maken).

Wat je nodig hebt

  • Schep, houweel, zaag, moker, kruiwagen.
  • Een A-frame of waterslang om hoogtelijnen uit te zetten (13.03 Water in de bodem).
  • Palen, takken, stenen, stro, houtsnippers.
  • Zaden, eikels en stekken van dezelfde streek.
  • Hekwerk of doornige takken tegen vee.
  • Een schrift, foto's of tekening van hoe het er nu uitziet, en vaste meetpunten.

Werkwijze

De volgorde: stoppen, beschermen, helpen, planten

Herstel gaat bijna altijd in die volgorde. Richtlijnen voor oeverherstel zeggen dat riviervegetatie in de regel vanzelf terugkomt als nieuwe schade stopt en er ruimte is; planten versnelt, maar is niet altijd nodig wordt getoetst. Dat geldt breder wordt getoetst. Wie plant zonder de oorzaak te stoppen, plant voor de geit of de volgende bui.

Bodem na erosie

Bedekken, helling breken en water geleiden staan in 13.03 Water in de bodem. Dit gaat over de geul die al bestaat. De cijfers komen uit de FAO-gids voor geulbeheer (Conservation Guide 13/2). Hier staan alleen de dammen voor kleine geulen.

  1. Vang eerst water bovenaan af. Leid het met een greppel om de kop van de geul. De FAO wil een verval onder 1 procent, liefst 0,5 procent, en het water mag niet op kale grond uitkomen, want daar ontstaat een nieuwe geul.
  2. Werk van onder naar boven. Zet de eerste dam op een vast punt: rots, of de smalste plek. Zijn er geen vaste punten, zet dan een tegendam stroomafwaarts op minstens twee keer de hoogte van de eerste dam.
  3. Bouw laag. Lage dammen vallen minder om dan hoge.
  4. Plaats de volgende dam. Trek een waterpas lijn vanaf de bovenkant van de onderste dam tot de geulbodem, en zet daar de volgende. De FAO beschrijft dit voor aarden dammen; voor takken en stenen geeft de gids geen regel wordt getoetst.
  5. Maak een overloop. Het midden van de dam ligt lager dan de zijkanten, zodat water over het midden gaat en niet om de dam heen. De fundering is altijd langer dan de overloop.
  6. Klaar vóór de regen. Doe het bouwen in de droge tijd, meestal de nazomer wordt getoetst. Een halve dam spoelt weg.
  7. Plant direct erachter bomen en stekken, en struiken en gras tussen de dammen. Zonder planten is elke dam tijdelijk.
№DamGrenzenBouw
1TakkendamStroomgebied tot 1 ha, geul tot 100 m, verval 5 tot 12 procent, hoogte tot 1 mPalen van 1 tot 1,5 m en 3 tot 12 cm dik, op 30 tot 40 cm, een derde tot de helft in de grond; takken ertussen, minstens 30 cm in de wand. Houdt 3 tot 8 jaar
2Losse stenenStroomgebied tot 2 ha, geul tot 100 m, hoogte tot 1 m boven de bodemFundering minstens 50 cm diep, vleugels minstens 50 cm in de oever, 50 tot 70 cm dik, grootste stenen boven en in het midden

Een takkendam van levend wilgen- of populierenhout bouw je juist op natte grond of aan het begin van de natte tijd: dat hout loopt uit en groeit vast. Ga niet verder dan deze maten; een grotere geul vraagt een ingenieur. Bouw alleen in een kleine droge geul, nooit in een beek, sloot of rivier: een dam kan daar wegslaan en water naar anderen sturen wordt getoetst. In Nederland speelt erosie vooral op löss in Zuid-Limburg en stuifzand op kale zandgrond wordt getoetst.

Bos en houtwal

Een bos dat niet gekapt en niet begraasd wordt, groeit meestal vanzelf terug, zolang er zaadbomen in de buurt staan wordt getoetst. Help dat: bescherm jonge opslag en ruim zaadbomen niet op. Houd bij het brandhout hakhout aan, dus elk jaar een ander vak, en de wortels blijven leven (05.15 Bijl, zaag en brandhout) wordt getoetst.

Houtwal. Een houtwal breekt de wind, geeft hout, bessen, en schuilplek voor vijanden van plagen. Gebruik inheemse soorten: zomereik, zwarte els, hazelaar, meidoorn, lijsterbes, Gelderse roos, vlier, gekozen naar de grond wordt getoetst. Plant in de winter, op 1,5 tot 2 meter, in driehoeksverband, in een strook van minstens 4 meter breed wordt getoetst. Leg mulch rond de planten, en zet een hek tegen vee en reeën wordt getoetst.

Bos op droge zandgrond. Droogte doodt jonge planten. Zaai eikels in de herfst direct op de plek, of plant in de schaduw van bestaande struiken, want die houden de grond koel wordt getoetst. Geschikt op zand: zomereik, wintereik, ruwe berk, lijsterbes, sporkehout wordt getoetst. Geef in de eerste zomer water als dat kan wordt getoetst. Reken op veel uitval en zaai dus ruim.

Neem zaad en stek van de eigen streek. Ga per plek na of een soort echt inheems is, want algemene lijsten gelden niet voor grote gebieden wordt getoetst.

Oevers

Beschaduwde oevers houden water koel, vangen slib op en zetten de grond vast wordt getoetst. Vee dat in de oever trapt, doet veel kwaad wordt getoetst.

  1. Zet een hek langs de oever, enkele meters breed, en maak één verharde drinkplek, of drenk de dieren elders wordt getoetst. Dat beschermt ook je drinkwater (02.02 Bronnen herkennen).
  2. Geef de rivier of beek ruimte. Oeverbos herstelt zich dan vaak vanzelf wordt getoetst.
  3. Is planten nodig, gebruik dan oeverstruiken en bomen die makkelijk wortelen. Wilg steek je als stek in natte grond in de winter; els en es plant je als jonge boom, want die groeien niet uit stekken wordt getoetst. Neem stekken van veel verschillende struiken, zodat de groep niet uit één kloon bestaat wordt getoetst. Bij een afkalvende oever wordt soms gewerkt met houten raamwerken met levende stekken wordt getoetst.
  4. Pak Japanse duizendknoop aan waar die oeverplanten verdringt. Dat is zwaar werk en komt terug: volgens Waterschap Rivierenland werkt geen methode volledig. Verplaats geen grond met wortelstukken wordt getoetst. Langs oevers groeien ook giftige planten, zoals gevlekte scheerling en waterscheerling. Laat ze staan en eet er niets van (03.03 Giftige planten en dubbelgangers).

Overbegrazing

Je ziet het aan kale plekken, dierpaden die geulen worden, korte bittere planten en geen jonge bomen wordt getoetst. Minder dieren is de eerste stap (13.10 Dierhouderij begrijpen).

  • Afsluiten. In het half-droge noorden van Ethiopië vonden Gebregergs en anderen (2019) na 5 jaar afsluiten geen duidelijk verschil met open weide in bovengrondse massa en koolstof, en na 10 jaar wel: totale koolstof 76 tegen 52 ton per hectare. Een oudere studie uit Tigray meldt na 5 en 10 jaar meer organische stof, stikstof en fosfor wordt getoetst. Of het in Nederland net zo gaat, weet ik niet. Reken in tien jaren, niet in seizoenen.
  • Rouleren. Deel de weide in vakken en laat dieren maar kort op één vak staan wordt getoetst.
  • Prijs. Afgesloten land maakt de rest kleiner, en dat treft wie op weide leeft. Bespreek dat vooraf. Reken ook voer van boomhooi mee.
  • Begrazing als beheer. Vee is niet alleen schade. Schaapskuddes houden heide open wordt getoetst. Te weinig dieren geeft opslag en vergrassing die brandt wordt getoetst. Kies dus plaats, tijd en aantal, geen algeheel verbod (VK.C04 Een brandgang maken).

Natuurbrand en herstel

Bij de brand in de Deurnese Peel in 2020 ging volgens de taskforce ongeveer 710 hectare natuur verloren; andere bronnen noemen 800 hectare. Het veen smeulde wekenlang na wordt getoetst. Vijf jaar later groeide er weer veenmos en was de gladde slang terug, volgens Omroep Brabant. Daar is het water hoger gezet, dood materiaal weggehaald en het gebied opener gemaakt, met minder bomen en struiken wordt getoetst. Dat leert drie dingen: herstel kost jaren, op veen gaat water terugbrengen voor, en planten is niet het eerste werk. Onverbrande stukken zijn kostbaar als zaadbron wordt getoetst.

Wie komt terug. Planten doen dat op twee manieren. Eik, berk en veel struiken lopen opnieuw uit uit stam of wortel, en pijpenstrootje loopt binnen dagen weer uit wordt getoetst. Grove den sterft en komt alleen terug uit zaad van bomen die zijn blijven staan; struikhei komt ook uit zaad in de grond wordt getoetst. Komt er opnieuw brand voordat de jonge bomen zelf zaad dragen, dan is die bron weg wordt getoetst. Daarom is vuur voorkomen in de eerste tien tot vijftien jaar het belangrijkste herstelwerk (05.14 Brand voorkomen en blussen) wordt getoetst.

De eerste maanden.

  1. Wacht tot de grond koud is, en betreed het terrein alleen als het veilig is. Zie het Gevaar-blok.
  2. Houd dieren weg.
  3. Bedek kale stukken op een helling vóór de eerste zware bui met stro. In proeven op hellingen in warme, droge streken gaf stro 60 tot 80 procent minder erosie, en een overzicht noemt 85 tot 95 procent in het eerste jaar. Of dat hier net zo werkt, is niet nagegaan wordt getoetst. Op vlakke zandgrond is wind de vijand: kaal zand kan gaan stuiven wordt getoetst. Stro dat direct na de brand werd gelegd, werkte beter dan vier maanden later wordt getoetst. Een gebruikte hoeveelheid is 0,2 kg per m², dus 20 kg per 100 m² wordt getoetst. Op winderige plekken waait het weg, droog stro is brandbaar en het kan vreemde zaden meebrengen wordt getoetst.
  4. Leg kleine stammen die je veilig kunt tillen dwars op de helling, vast tegen stobben, en nooit als er iemand onder je werkt wordt getoetst. Kap geen levende bomen; veel die dood lijken, lopen in het voorjaar uit wordt getoetst.
  5. Wacht een jaar en kijk wat opkomt, voordat je plant wordt getoetst. Plant dan alleen waar niets terugkomt, en dan loofbomen en struiken, geen nieuwe dennenakker wordt getoetst.
  6. Scheid bewoning en bos met een mozaïek van weide, akker en brandgangen.

Regen na brand spoelt as en wat daarin zit in beken en bronnen. Zoek voor drinkwater zolang het kan een andere bron: bezinken en koken halen opgeloste stoffen er niet uit wordt getoetst (02.05 Bezinken en voorfilteren, 02.06 Chemische verontreiniging).

Wat tijd kost

№WatHoe langBron
1Gras en kruiden op beschermd kaal land1 tot 3 jaarwordt getoetst
2Beplanting beschermenMinstens 2 jaarFAO
3Takkendam doet zijn werk3 tot 8 jaarFAO
4Zichtbaar herstel van afgesloten weide5 tot 10 jaarStudies Ethiopië; voor hier wordt getoetst
5Jong bos dat zaad geeft10 tot 20 jaarwordt getoetst
6Bos dat weer als bos werkt50 jaar of meerwordt getoetst
72 tot 3 cm nieuwe bodemTot 1000 jaarFAO

Beheer door een groep

Land dat van iedereen is, gaat stuk als niemand iets afspreekt. Elinor Ostrom kreeg de Nobelprijs voor haar onderzoek naar groepen die dit wel lukt. Bij drie kwart van 33 onderzochte gevallen vond men steun voor haar ontwerpregels. Vertaald naar herstel:

  1. Grenzen. Op papier: welk stuk, en wie mag er gebruiken.
  2. Regels die passen. Bij deze bodem en deze mensen, en wie meer doet, krijgt meer.
  3. Samen beslissen. Wie geraakt wordt, praat mee (15.03 Besluiten nemen).
  4. Toezicht. Door eigen mensen die weten wat ze doen, en die daarvoor iets terugkrijgen.
  5. Straf met maat. Eerst een waarschuwing, dan zwaarder (15.13 Regels, straf en herstel).
  6. Goedkope ruzie-oplossing. Dichtbij en snel (15.04 Conflicten bespreken).
  7. Erkenning. Buren en bestuur laten de afspraak staan.
  8. Lagen. Kleine groepen per vak, één overleg voor het hele gebied. De FAO vraagt om beplanting minstens twee jaar te beschermen tegen vuur, kap en begrazing, met een inspectie per jaar. Schrijf het plan op en geef het door (15.09 Collectief geheugen): de oogst is voor wie na jou komt.

Zo weet je dat het werkt

  • Na een bui blijft het water helderder en de geul groeit niet.
  • Slib stapelt zich op achter de dammen, en daar groeit iets.
  • Op je meetpunten en foto's zie je jaar na jaar meer bedekking.
  • Jonge bomen overleven en het aantal soorten groeit.
  • De groep houdt zich aan de afspraken zonder steeds ruzie.

Zo weet je dat het misgaat

  • Water loopt om de dam heen: overloop te hoog of vleugels te kort. Verlaag het midden, werk de wanden dieper in.
  • De dam spoelt weg of de geul gaat dieper: te veel water van boven. Vang eerst bovenaan af, en bouw lager.
  • Planten sterven in de eerste zomer: verkeerde soort of plek. Zaai in de herfst, plant in schaduw, mulch.
  • Vraat aan jonge bomen: hek nakijken, afspraak met de veehouder.
  • Struiken groeien dicht en droog tegen het huis: brandgevaar. Laat grazen of snoeien (VK.C04).
  • Mensen negeren het verbod: praat, verdeel de last, pas de regel aan; handhaven zonder steun werkt niet.

Gevaar · Verbrand land, geulen en waterlopen

  • Verbrand bos: dode bomen en takken vallen zonder waarschuwing, ook dagen later. Verbrande wortels laten gaten achter vol hete as. Ga niet bij wind, draag stevige schoenen en werk met twee mensen wordt getoetst.
  • Op veen kan vuur wekenlang onder de grond smeulen. De grond ziet er dan koud uit en kan onder je wegzakken wordt getoetst.
  • Na brand kan zelfs een gewone bui modderstromen geven. Slaap en bouw niet in dalen onder een verbrande helling wordt getoetst.
  • Werk nooit in een geul of holle weg als er ergens regen valt. Een geul kan plots vol stromen, ook als het bij jou droog is wordt getoetst.
  • Werk niet alleen aan een oever of bij hoog water. Modder en wondjes kunnen leptospirose geven (06.11 Luizen, vlooien, muggen en ratten).
  • Steile wanden van een geul kunnen op je vallen. Graaf er niet onder wordt getoetst. Til zware stenen volgens VK.K02 Tillen en dragen zonder je rug te slopen.
  • Stuur water nooit naar de buren: een dam of greppel kan hun land of huis kosten (02.14 Hoogwater, dijken en gemalen).

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1StroHooi, gesnoeide takken, houtsnippers, blad, varens
2Palen en takkenStenen, zakken met aarde (VK.E07 Zandzakken vullen en stapelen)
3HekDoornige takken als wal, een herder, afspraken
4PlantgoedEikels en zaden uit de streek, stekken, wilde zaailingen uit dichte plekken
5Water voor jonge plantenZaaien in de herfst; mulch en schaduw
6MensenKleiner beginnen; één geul per jaar is ook herstel

Achtergrond

Bodem blijft liggen als er iets op groeit: blad breekt de regendruppel, wortels houden vast, en organische stof laat water erin zakken. Op kale grond verstopt de druppel de poriën, en water stroomt weg met de bovenlaag wordt getoetst. Na een brand is dat extra sterk, want de bedekking is weg en de bodem stoot soms water af wordt getoetst. Een lage dam remt het water, en achter de dam bezinkt slib waarin planten groeien. De dam is dus een hulpmiddel voor de planten, en niet andersom. Inheemse soorten horen bij de grond, het klimaat en de dieren van een plek; vreemde soorten doen dat vaak niet. Bewijs: bodemvorming en versnelde erosie A (FAO). Geulwerken B (FAO-gids, oorspronkelijk voor andere landen). Stro na brand B (meerdere proeven in warme, droge streken, wisselende cijfers; overdracht naar Nederland onzeker). Natuurlijk herstel en inheems materiaal C. Resultaat van afsluiten B (Ethiopië; overdracht naar Nederland onzeker). Uitlopers en zaaiers C (algemene brandecologie, niet aan een Nederlandse bron getoetst). Ontwerpregels van Ostrom B. Soortenkeuze en tijden per plek C.

Volgende niveau

Maak een plan per stroomgebied, niet per perceel (13.01 Het landschap lezen). Leg een kwekerij aan van streekeigen bomen, spreek een vaste kaprotatie af en maak herstel onderdeel van het voedselsysteem (13.13 Een lokaal voedselsysteem, 13.08 Bomen en boomgaarden). Neem foto's van dezelfde punten, elk jaar, en geef ze door.

Controlelijst

  • Ik stop eerst de oorzaak, en plant pas daarna.
  • Ik kijk tijdens de regen waar het water gaat.
  • Ik bouw lage dammen van onder naar boven, vóór het regenseizoen, met een overloop in het midden.
  • Ik plant direct achter de dammen en bescherm dat minstens twee jaar.
  • Ik gebruik inheemse soorten uit de eigen streek.
  • Na brand houd ik dieren weg, bedek ik de steilste stukken en wacht ik voor ik plant.
  • Ik werk nooit in een geul als het ergens regent.
  • We hebben het plan op papier, met grenzen, regels, toezicht en een inspectie per jaar.

Verantwoording

Open in de app en bewaar offline