Hoofdstuk · Navigatie, communicatie & vervoer
Een lokale kaart maken
Van een basislijn en je eigen passen naar de kaart waarop de groep besluit
Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.
Gevaar · Meten op gevaarlijke plekken Ga niet een gebouw in dat kan instorten of waar asbest ligt om te kunnen meten. Peil het van buiten met de snijmethode (10.01 Veilig slopen). Meet niet in een geul, een beekdal of langs een rivier als er regen dreigt. Water kan er snel en zonder waarschuwing aankomen wordt getoetst.
- Meet niet alleen in onbekend terrein. Klim nooit op masten of beschadigde daken.
Gevaar · Een foute kaart maakt ziek Een kaart is een hulpmiddel en geen bewijs. Controleer afstanden tussen water, latrines en graven altijd op de grond. Een kaart zegt ook niets over de kwaliteit van water.

Waarom dit telt
Een groep besluit op een kaart: waar de latrine mag, hoe ver het graf van de put ligt, welk huis niemand meer in mag. Een gedrukte kaart toont dat niet, en hij veroudert vanaf de eerste dag van de uitval. Een eigen kaart die je bijhoudt, is daarom een stuk gereedschap dat ziekte voorkomt en levens spaart. Je hebt er geen landmeter voor nodig: een touw, een kompas, je passen en geduld zijn genoeg.
Als er nog hulp is Print of koop nu de topografische kaart van je omgeving (Kadaster) en teken daarop verder. Dat scheelt je weken meten.
Eerst doen
- Leg een bestaande kaart op tafel als je die hebt, en overtrek of vergroot het stuk dat je nodig hebt.
- IJk je pas op 100 meter (VK.F09 Afstand meten met je pas).
- Kies het gebied en de schaal, zodat alles op je vel past.
- Zet een basislijn uit en meet die twee keer.
- Meet eerst wat levens raakt: water, latrines, graven, gevaar.
- Zet titel, datum, noordpijl, schaalbalk, legenda en namen op de kaart, en maak een kopie.
Wat je nodig hebt
- Stevig papier, minstens A3. Ruitjespapier maakt tekenen makkelijker.
- Hard potlood, gum, liniaal, gradenboog, passer. Watervaste pen voor de eindversie.
- Een kompas (14.02 Een kompas gebruiken).
- Een touw van 10, 20 of 30 meter, 1 tot 1,5 cm dik, of een meetlint. Een touw rekt en krimpt wordt getoetst: controleer het op een bekende lengte.
- Een telkoord en je pasgetal (VK.F09 Afstand meten met je pas).
- Tien hoge stokken met een doek eraan, zodat je ze van ver ziet.
- Een schrift voor de metingen.
- Voor de meettafel: een plank op een driepoot of op een ton, een rechte lat, een waterpas, een schietlood (09.03 Meten en markeren).
- Een helper. Met zijn tweeën meet je sneller en beter.
Werkwijze
Kies gebied en schaal
Bepaal eerst waarvoor de kaart is. Meestal heb je twee bladen nodig: een overzicht van de omgeving, en een plan van het kamp, dorp of de wijk.
| № | Schaal | 1 cm op papier is | Goed voor |
|---|---|---|---|
| 1 | 1:500 | 5 m | Erf, tuin, latrineplek |
| 2 | 1:1000 | 10 m | Boerderij, kamp, straat |
| 3 | 1:2000 | 20 m | Gehucht, groot kamp |
| 4 | 1:5000 | 50 m | Dorp, wijk |
| 5 | 1:10.000 | 100 m | Overzicht tot een uur lopen |
| 6 | 1:25.000 | 250 m | Gedrukte kaart om op verder te tekenen |
De schaalwaarden komen uit het FAO-handboek; de kolom "goed voor" is onze keuze wordt getoetst. Reken zo: deel de langste afstand door de schaal. Een terrein van 400 meter op schaal 1:1000 wordt 40 cm papier. Past dat niet, neem dan 1:2000 of plak bladen aan elkaar. Laat rondom ruimte voor de legenda en voor uitbreiding.
De basislijn
De basislijn is de ruggengraat van je kaart. Alles hangt eraan vast. Een fout hierin zit straks overal in.
- Kies een rechte, vlakke lijn van 100 tot 300 meter wordt getoetst, waarvan je vanaf beide uiteinden het hele gebied goed ziet. Het FAO-voorbeeld gebruikt 123 meter.
- Zet aan beide einden een hoge stok. Maak de plek blijvend (14.04 Landmerken vastleggen).
- Meet de lengte met touw of meetlint, en dan nog eens in de andere richting. Trek het touw telkens even strak.
- Neem het gemiddelde als de twee metingen dicht bij elkaar liggen. Bij een zelfgemaakt touw mag het verschil 1 meter per 100 meter zijn. Is het meer, meet dan een derde keer en neem de twee die het dichtst bij elkaar liggen (FAO).
- Peil met het kompas de richting van de lijn, heen en terug. Teken de lijn op papier met noord naar boven.
| № | Meetmiddel | Fout per 100 meter (FAO) |
|---|---|---|
| 1 | Passen tellen | 1 tot 2 meter, in lastig terrein meer |
| 2 | Touw | 0,5 tot 1 meter |
| 3 | Landmeterketting | 0,02 tot 0,10 meter |
| 4 | Stalen meetlint | Minder dan 0,05 meter |
Passen tellen
Passen zijn goed voor de bulk van het werk, niet voor de basislijn. De stappen staan in VK.F09 Afstand meten met je pas. Let op deze regels.
- Tel met een telkoord, niet in je hoofd (legerhandboek).
- Je pas wordt korter bergop, in hoog gras, zand of modder, tegen de wind in en in het donker. Bergaf wordt hij langer.
- Begin opnieuw te tellen op elk punt dat je zeker kent.
Op een helling is de afstand op de kaart korter dan wat je loopt, want de kaart meet alleen horizontaal. Vermenigvuldig bij steile stukken:
| № | Helling | Keer |
|---|---|---|
| 1 | 10 procent | 0,995 |
| 2 | 20 procent | 0,98 |
| 3 | 30 procent | 0,96 |
| 4 | 50 procent | 0,89 |
In heuvels, zoals in Zuid-Limburg, heb je die tabel nodig. Meet daar steile stukken liever met het touw.
Peilen: punten vastleggen
Kies per punt de makkelijkste van deze drie methoden.
Vanaf één punt (straling). Sta op een bekend punt met goed zicht. Peil de richting naar elk detail en meet de afstand. Goed voor een erf of kamp.
Vanaf twee punten (snijden). Sta op het ene einde van de basislijn en peil naar het doel. Doe dat ook op het andere einde. Waar de twee lijnen kruisen op papier, ligt het doel. Je hoeft er niet heen te lopen, dus dit werkt ook voor een rotstop aan de overkant van een ravijn of een gevaarlijk gebouw. Rond 60 graden is de snijhoek het best. Vermijd hoeken onder 15 of boven 165 graden (FAO). Peil vanaf een derde punt als controle (legerhandboek).
Langs een route (veelhoek). Loop van stok naar stok. Maak elk stuk 40 tot 100 meter, nooit korter dan 25 meter (FAO). Peil op elke stok vooruit en terug. Die twee moeten 180 graden verschillen, met 1 tot 2 graden speling. Zo meet je een weg, een beek of de rand van een dorp.
- Sluit de veelhoek altijd: eindig op je beginpunt of op een bekend punt.
- Het verschil tussen je getekende eindpunt en het echte punt is de sluitfout.
- Bij een route van 1 km is een sluitfout tot ongeveer 20 meter normaal, want passen hebben een fout van 1 tot 2 procent wordt getoetst. Het FAO-handboek geeft geen vast getal.
- Verdeel een kleine sluitfout over de route: schuif elk punt op naar verhouding van de afstand vanaf het begin (FAO). Een punt halverwege schuift de helft van de fout.
- Is de fout groot, zoek dan het stuk waar het fout ging. Meet niet verder op een foute basis.
Meettafel zonder kompas. Zet een plank waterpas op middelhoogte boven je eerste punt. Prik het vel erop. Leg een lat op het punt op papier, kijk langs de lat naar het doel en trek een lijn. Verplaats de tafel naar het volgende punt en draai hem tot de lat over de getekende lijn terugwijst naar je vorige punt. Trek de lijnen opnieuw. Elk detail ligt waar minstens drie lijnen kruisen (FAO). Je tekent direct op schaal, zonder graden, en je ziet fouten meteen.
Blijf met je kompas weg bij metaal: 55 meter van hoogspanningslijnen, 18 meter van vrachtwagens en 10 meter van prikkeldraad (legerhandboek). Houd bij een auto dezelfde 18 meter aan wordt getoetst. Gebruik één soort graden voor de hele kaart: kompasgraden. Dan hoef je binnen je eigen kaart niet te corrigeren. Zet "magnetisch noorden" en het jaar bij de pijl. Teken je verder op een gedrukte kaart, reken dan wel het verschil met het kaartnoorden mee (14.02 Een kompas gebruiken). Ten opzichte van het ware noorden is dat in 2026 ongeveer 3 graden in midden Nederland (14.04 Landmerken vastleggen); het kaartnoorden kan daar nog iets van afwijken wordt getoetst.
Tekenen op schaal
- Maak eerst een ruwe schets om de vorm te zien en de plek op het vel te kiezen.
- Teken de basislijn. Reken om: 123 meter op 1:1000 is 12,3 cm.
- Zet elk punt met een harde potloodpunt en trek er een cirkeltje om.
- Leg de gradenboog op het punt, met 0 op noord, en trek de richting. Zet de afstand af op schaal.
- Teken pas als alle grote punten kloppen de details: paden, muren, beken.
- Geef pas met pen aan wat gecontroleerd is. Wat je niet zeker weet, blijft in potlood met een vraagteken.
Hoogte hoeft niet precies, maar richting van stromend water wel wordt getoetst. Teken pijlen waar regenwater heen loopt, en schrijf "hoog" en "laag" bij de terreindelen (13.01 Het landschap lezen). Een latrine moet immers lager liggen dan de put, niet alleen 30 meter verderop.
Symbolen
Gebruik letters in eenvoudige vormen: die overleven een kopie met de hand en lezen goed in zwart-wit. Geef elk symbool een nummer, en leg de details vast in het register in het schrift. Zo blijft de kaart leesbaar.
| № | Symbool | Betekent |
|---|---|---|
| 1 | W in een cirkel | Drinkwater, getest en behandeld (02.01 Water drinkbaar maken) |
| 2 | W in een cirkel met streep | Water dat niet te drinken is |
| 3 | L in een vierkant | Latrine, open of gesloten |
| 4 | G in een rechthoek | Graf, met nummer uit het register |
| 5 | ! in een driehoek | Gevaar, met nummer en soort |
| 6 | A in een driehoek | Asbest |
| 7 | Driehoek met punt | Vast landmerk of meetpunt |
| 8 | Stippellijn | Pad; dubbele lijn is weg |
| 9 | Pijl | Stroomrichting van water |
Spreek deze tekens met de hele groep af, en zet ze altijd in de legenda.
Wat erop moet
Het FAO-handboek vraagt op elke kaart: naam van het gebied, plek, namen van de makers, datum, noordpijl, schaal en legenda. Het legerhandboek wil ook wegen, water en terreinvormen. Voor een groep komt daar dit bij.
| № | Laag | Teken in | Waarom |
|---|---|---|---|
| 1 | Water | Bronnen, putten, tappunten, sloten, regentonnen, vijvers | 02.02 Bronnen herkennen, 02.13 Water voor een gemeenschap |
| 2 | Latrines en mest | Latrines, mesthopen, beerputten, stallen | Minstens 30 meter van water en lager in het terrein (02.10 Een latrine graven) |
| 3 | Graven | Elk graf met nummer | Minstens 250 meter van drinkwater, hoog en droog (07.15 Overlijden en lijkzorg). De nabestaanden moeten het terugvinden |
| 4 | Gevaar | Asbest, instortingsgevaar, chemische opslag, gasleiding, overstromingsgebied, dijkzwakte, brandgevaar | 10.01 Veilig slopen, 05.02 Een gebouw beoordelen, 02.06 Chemische verontreiniging, 02.14 Hoogwater, dijken en gemalen |
| 5 | Voedsel | Moestuin, fruit, noten, vissen, foerageren | 03.11 Foerageren door het jaar |
| 6 | Mensen | Huizen, verzamelplaats, ziekenkamer, wachtposten | 15.11 Wacht lopen en waarschuwen |
| 7 | Routes | Wegen, bruggen, doorwaadbare plekken, vluchtroutes | 14.03 Routes voorbereiden, 12.06 Wegen en paden |
| 8 | Materiaal | Sloopplekken, brandhout, bouwstof | 10.13 De stad als voorraadkast |
Een passer maakt regels zichtbaar. Trek rond elk drinkwaterpunt een cirkel van 30 meter: op 1:1000 is dat 3 cm straal. Trek voor graven 250 meter: op 1:2000 is dat 12,5 cm. Staat er iets binnen de cirkel wat er niet hoort, dan zie je het meteen. Meet daarna altijd op de grond na, want een kaart heeft een eigen fout.
Zet geen voorraden en geen gegevens over kwetsbare mensen op de open kaart. Die staan in een apart register (14.04 Landmerken vastleggen, 15.07 Voorraad beheren).
Laag land. Sloten, dijken, peilen en lage delen bepalen waar water heen gaat. Teken wat onderloopt als een gemaal stilvalt. Grondwater staat vaak hoog: zet de peilbuis of proefkuil erop (13.03 Water in de bodem).
Hoger land en bos. Teken droge geulen en beekdalen als gevaar, ook als ze droog zijn wordt getoetst. Teken op heide en bij dennenbos de brandgangen en de wegen weg van het bos (VK.C04 Een brandgang maken). Hellingen maken de looptijd langer dan de kaart doet vermoeden: schrijf loopminuten bij de routes.
Bijhouden
Een kaart is pas goed als iemand hem bijhoudt. Wijs een kaartbeheerder aan (15.02 Taken verdelen).
- Elke wijziging krijgt een datum in het register. Zet het versienummer op de kaart.
- Wie iets ziet, meldt het bij de beheerder. De beheerder tekent het in.
- Loop elke maand de belangrijkste punten na, en na elke storm, brand of overstroming meteen.
- Streep wat weg is door; gum het niet uit. Oude informatie is soms nodig.
- Maak elk jaar een schone nieuwe versie en bewaar de oude.
Kopiëren
Een kaart die maar één keer bestaat, is één brand verwijderd van nul. Maak er minstens drie: het origineel droog en donker bewaard, een werkkaart op de centrale plek, en een kopie op een tweede plek (15.09 Collectief geheugen).
- Overtrekken. Leg dun papier op de kaart tegen een raam en trek over.
- Rasteren. Teken op het origineel in potlood een raster van 2 cm, en op het nieuwe vel een even groot raster. Neem de kaart hokje voor hokje over. Met een raster van 4 cm op het nieuwe vel vergroot je twee keer.
- Schaalbalk. Zet altijd een getekende balk op de kaart, zoals "0 tot 100 m". Papier krimpt, en bij vergroten klopt "1:1000" niet meer, maar de balk groeit gewoon mee.
- Controle. Meet op elke kopie drie bekende afstanden en vergelijk ze met het origineel. Schrijf "kopie" en de versie erop.
Gebruik een waterdichte hoes voor de werkkaart (14.10 Kennis verspreiden).
Zo weet je dat het werkt
- De basislijn is twee keer gemeten en de metingen liggen binnen 1 meter per 100 meter.
- Drie peilingen naar één punt kruisen elkaar bijna op dezelfde plek.
- Je veelhoek sluit met een fout van hooguit 1 tot 2 procent van de lengte wordt getoetst.
- Iemand die de plek niet kent, loopt met alleen de kaart naar drie willekeurige punten.
- Een afstand die je op de kaart meet, klopt met een nieuwe meting op de grond binnen 2 procent wordt getoetst.
Zo weet je dat het misgaat
- De lijnen kruisen niet of geven een grote driehoek: er is metaal in de buurt, of je las verkeerd af. Meet opnieuw, ver van metaal.
- De veelhoek sluit niet: zoek het stuk waar voor- en terugpeiling niet 180 graden verschillen, en meet dat over.
- De kaart klopt in het midden maar niet aan de rand: de basislijn is te kort of te scheef. Leg een nieuwe, langere lijn en bind de randen daaraan vast.
- Twee kopieën tonen iets anders: gebruik het origineel en vervang de foute kopie. Zet altijd een versienummer op de kaart.
- De latrine staat toch te dicht bij een put, of een graf bij water: meet op de grond na en verplaats wat niet mag (02.10 Een latrine graven).
Gevaar · Meten op gevaarlijke plekken Ga niet een gebouw in dat kan instorten of waar asbest ligt om te kunnen meten. Peil het van buiten met de snijmethode (10.01 Veilig slopen). Meet niet in een geul, een beekdal of langs een rivier als er regen dreigt. Water kan er snel en zonder waarschuwing aankomen wordt getoetst.
- Meet niet alleen in onbekend terrein. Klim nooit op masten of beschadigde daken.
Gevaar · Een foute kaart maakt ziek Een kaart is een hulpmiddel en geen bewijs. Controleer afstanden tussen water, latrines en graven altijd op de grond. Een kaart zegt ook niets over de kwaliteit van water.
Als je iets mist
| № | Mis je | Gebruik dan |
|---|---|---|
| 1 | Kompas | Meettafel met lat, of een noordlijn uit de schaduwstok (VK.F10 Tijd en richting uit de zon) of de Poolster (VK.F11 Noord en breedtegraad met de Poolster) |
| 2 | Meetlint | Knopentouw, of je pas (VK.F09 Afstand meten met je pas) |
| 3 | Gradenboog | Maak er een op karton, of werk met de meettafel |
| 4 | Groot papier | Plak vellen aan elkaar, of gebruik de achterkant van affiches en behang (11.11 Papier maken) |
| 5 | Kopieerapparaat | Overtrekken of rasteren |
| 6 | Helper | Stokken vooraf zetten en alleen lopen. Dat kost meer tijd |
Achtergrond
Elke kaart is een verzameling driehoeken. Ken je één zijde en twee hoeken, dan ligt de derde punt vast. Daarom geeft de basislijn de hele kaart zijn maat. Meetfouten stapelen op. Daarom meet je van groot naar klein en sluit je elke veelhoek. Dat is het verschil tussen een schets en een kaart: bij een kaart weet je hoe groot de fout is. Bewijs: basislijn, snijden, veelhoek en meettafel, en de fout per meetmiddel B (FAO-handboek voor veldwerk). Factoren die de pas veranderen en afstand tot metaal B (legerhandboek). Hellingtabel A (meetkunde). Verdelen van de sluitfout B (FAO, grafische methode). Symbolen en lagen C (eigen keuze, geen norm). De grens van 1 tot 2 procent voor de sluitfout D (afgeleid uit de foutmarge van passen).
Volgende niveau
Meet hoogtes en teken hoogtelijnen (16.02 Waarnemen en meten). Maak aparte bladen voor water, gevaar en voedsel. Verbind je kaart met die van buurgroepen via gezamenlijke landmerken. Gebruik de kaart voor sloop en aanvoer (10.13 De stad als voorraadkast).
Controlelijst
- Ik heb mijn pas geijkt en mijn getal opgeschreven.
- Ik heb een schaal gekozen die op het vel past.
- Ik heb een basislijn twee keer gemeten.
- Ik kan een punt vastleggen met snijden en met een veelhoek.
- Op mijn kaart staan water, latrines, graven en gevaar, met legenda.
- Mijn kaart heeft titel, datum, makers, noordpijl en schaalbalk.
- Ik controleer afstanden tussen water, latrines en graven op de grond.
- Er is een beheerder en er zijn minstens drie kopieën op twee plekken.
Verantwoording
- FAO: Topography, hoofdstuk 2 Measuring Horizontal Distances: passen ijken, fout per 100 meter voor passen, touw, ketting en meetlint, dikte en lengte van een touw, twee keer meten en de toegestane verschillen.
- FAO: Topography, hoofdstuk 7 Topographical Surveys - Plan Surveying: veelhoek met stukken van 40 tot 100 meter en minimaal 25 meter, voor- en terugpeiling, sluitfout en grafische verdeling, straling, snijden met hoeken van 15 tot 165 graden, voorbeeldbasislijn van 123 meter, meettafel met minstens drie lijnen.
- FAO: Topography, hoofdstuk 9 Topographical Plans and Maps: schaaltabel, 400 meter op 1:1000 is 40 cm, volgorde van tekenen, wat in de legenda hoort.
- US Army FM 3-25.26 Map Reading and Land Navigation (2001), kopie op ciehub.info: factoren die de pas veranderen, tellen met een hulpmiddel, afstand tot metaal, snijden vanaf twee of liefst drie punten, eisen aan een terreinschets. Volgens zoekresultaten vervangen door TC 3-25.26 (2013), die niet geopend kon worden.
- De eisen voor water, latrines en graven komen uit 02.10 Een latrine graven en 07.15 Overlijden en lijkzorg, met de bronnen die daar staan.
- De hellingtabel en de omrekeningen op schaal zijn eigen rekenwerk. Niet met een primaire bron onderbouwd en daarom gemarkeerd: de lengte van de basislijn, de keuze van schaal per gebruik, de grens voor de sluitfout, de eis van 2 procent bij controle, het rekken van touw, wat voor een auto geldt bij het kompas, en hoe snel water in een geul of beekdal komt. De symbolen zijn een eigen voorstel, geen norm. De hoofdstukken 3 tot en met 6 van het FAO-handboek zijn niet gelezen. Getoetst door: nog niet.