Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Landbouw, dieren & ecosystemen
  4. Het landschap lezen

Hoofdstuk · Landbouw, dieren & ecosystemen

Het landschap lezen

Reliëf, water, wind, zon, grond en planten vertellen waar je kunt telen en bouwen, als je een jaar lang goed kijkt

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · Water en helling Bouw, slaap en kampeer nooit in een uiterwaard, een droog dal of de laagste hoek van de polder, hoe droog of vlak het ook lijkt. Eén bui bovenstrooms kan genoeg zijn, of één gemaal dat stilvalt. In 1953 kwamen 1835 mensen om bij de watersnood (CBS).

  • Ga bij een stortbui weg uit dalbodem, holle weg en onderdoorgang, en ga naar hoger.
  • Blokkeer geen natuurlijke afvoer.
  • Eet niet zonder meer uit grond van een oud fabrieksterrein of stort (02.06 Chemische verontreiniging).
Een oudere man wijst bij zonsopgang vanaf een rivierdijk naar de mist in het laagste deel van de uiterwaarden, terwijl een jonge vrouw het land schetst in een schrift.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

Een bed op de verkeerde plek kost je een oogst. Een huis op de verkeerde plek kost je het huis, of meer. Het landschap laat zien waar water loopt, waar vorst blijft hangen en waar de grond iets oplevert, maar je moet weten waar je kijkt. In februari 1953 overstroomden grote delen van Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant: 1835 doden (CBS). Dit hoofdstuk leert je lezen welke plekken kunnen onderlopen voordat je er iets neerzet.

Als er nog hulp is Bekijk de bodemkaart, hoogtekaart en overstromingskaart van je gebied en print ze. Vraag oude boeren waar het water staat, waar het vriest en wat hier nooit lukt.

Eerst doen

  1. Maak een schets van je land met noordpijl, helling, gebouwen, bomen en water (14.05 Een lokale kaart maken).
  2. Loop eroverheen tijdens een stevige bui en teken waar water loopt en blijft staan.
  3. Ga op een heldere koude ochtend kijken waar rijp of dauw het langst blijft liggen.
  4. Doe op drie plekken de handproef en schrijf de uitslag op.
  5. Noteer welke planten vanzelf groeien en waar. Kijk naar groepen, niet naar één plant.
  6. Doe geen groot en blijvend ding in het eerste jaar: geen huis, geen boomgaard. Begin klein (13.04 Een moestuin beginnen).

Wat je nodig hebt

  • Papier, potlood, een kompas of zon (VK.F10 Tijd en richting uit de zon).
  • Een schop, een fles water, een glazen pot met deksel, azijn.
  • Liniaal, een stok of schietlood om schaduw te meten.
  • Een minimumthermometer als je die hebt, of twee gewone thermometers.
  • Piketten of linten om plekken te merken.
  • Een schrift voor waarnemingen door het jaar (16.02 Waarnemen en meten).

Werkwijze

Reliëf: wat hoog en laag is

Water, koude lucht en grond lopen naar beneden. Daarom is reliëf het eerste wat je leest.

In Nederland zie je reliëf nauwelijks. Een verschil van 30 cm bepaalt wat onderloopt wordt getoetst. Kijk bij lage zon, na regen of bij sneeuw: dan vallen kleine verschillen op. Let op dijken, terpen en oude kreekruggen. Die laatste zijn lage ruggen van zand in de klei, vaak met oude boerderijen erop wordt getoetst. Oude gebouwen staan zelden toevallig.

Op de Veluwe, de Heuvelrug, in Twente en in Zuid-Limburg heb je wel echte hellingen. Lees ze zo wordt getoetst:

№Plek op de hellingGoed voorLet op
1Top en kamUitzicht, wind voor een molenKoud, droog, dunne grond
2Bovenste en middelste hellingBoomgaard, huis op vaste grondErosie, koude lucht trekt hier weg
3Voet van de hellingDiepe grond, waterModderstromen, koude lucht
4Dalbodem en beddingRijke grond, maar vaak nat of zoutOverstroming, vorst

Een Amerikaanse fruitgids noemt 4 tot 8 procent helling ideaal voor een boomgaard, en boven 10 procent wordt machinaal werk lastig. Op steil land verlies je grond.

Water lezen

De werkwijze staat in 13.03 Water in de bodem. Hier gaat het om wat je van boven ziet.

  • In de regen: waar komt water vandaan en waar gaat het heen? Teken pijlen. Waar loopt water samen, daar snijdt het de grond weg.
  • Na de regen: waar staat het na een dag nog? Dat is een laagte of een dichte laag. Geen plek voor wortels, bedden of een latrine.
  • In de droogte: waar blijft gras groen? Daar zit water dichtbij, of er is een lek wordt getoetst.
  • Sporen: lijnen van takken en vuil tonen hoe hoog het water kwam. Afgeronde stenen in een droge geul betekenen dat daar sterk water loopt wordt getoetst.

De kaart is je belangrijkste hulp: dit land is gemaakt. Zonder gemalen stijgt het water in de polder (02.14 Hoogwater, dijken en gemalen). De Bilt krijgt gemiddeld 855 mm neerslag per jaar, verspreid over alle maanden (KNMI, 1991-2020).

Ook hier vallen korte hevige buien wordt getoetst. Een droog dal of holle weg op een helling, zoals in Zuid-Limburg, is een beek die slaapt wordt getoetst. Droog zand betekent niets. Lees een waaier van zand of modder onderaan een helling als waarschuwing.

Wind lezen

  • Een kruin die scheef staat of aan één kant kaal is, wijst de overheersende wind aan wordt getoetst.
  • De zwaarste stormen komen uit het zuidwesten (12.01 Bouwprincipes).
  • Een haag remt de wind over ongeveer tien keer zijn hoogte wordt getoetst. Zet hem niet zonder opening dwars op een helling: dan houdt hij koude lucht tegen.

Zon lezen

Op het middaguur is de zon op 21 december in Nederland (52 graden noorderbreedte) ongeveer 15 graden boven de horizon. Op 21 juni is dat 61 graden.

№Muur van 2 meter hoog, schaduw op het middaguurLengte
121 decemberOngeveer 7,7 meter
221 juniOngeveer 1,1 meter

Meet zelf op de kortste dag waar de schaduw valt van huis, muur en bomen, en zet dat op je kaart.

  • Je zoekt vooral zon: een muur op het zuiden is een kas zonder glas. Grond op een zuidhelling is eerder warm.
  • Bij hitte en droogte houdt schaduw van een boom in de middag tere groente in leven wordt getoetst.

Grond lezen met de hand

Kijk eerst of er grond is: graaf een gat van een spade diep, op minstens drie plekken. Hoe diep gaat de donkere laag? Waar stuit je op steen, of op een harde laag? Voor een bouwplek lees je 12.02 Funderingen begrijpen.

De handproef (FAO, naar de methode van de Amerikaanse NRCS):

  1. Neem een handvol grond, ongeveer 25 gram, en haal er stenen en wortels uit.
  2. Maak hem nat en kneed tot het kneedbaar is. Te nat: droge grond erbij. Te droog: water erbij.
  3. Vorm een bal van ongeveer 3 cm. Lukt dat niet, dan is het zand.
  4. Duw de grond tussen duim en wijsvinger omhoog tot een lintje. Lukt dat niet, dan is het lemig zand.
  5. Meet hoe lang het lintje wordt voor het breekt.
  6. Wrijf nat in de hand en voel: knarst het (zandig), glad als zeep (silt, leemachtig) of geen van beide?
№LintjeGrondWat het betekent
1Geen balZandDroogt snel, spoelt uit, makkelijk te spitten
2Bal, geen lintjeLemig zandAls zand, iets beter
3Korter dan 2,5 cmLeemGoede grond voor de meeste groente wordt getoetst
42,5 tot 5 cmKleiige leemRijk, zwaarder werk
5Langer dan 5 cmKleiHoudt water en voeding, wordt plak en steen

De FAO zegt erbij dat de proef oefening vraagt en geen percentages geeft.

De potproef. Colorado State University schudt droge grond met water en wat zeeppoeder in een pot: zand staat na een minuut, silt na twee uur, klei na één tot drie dagen of langer. Dezelfde proef staat in 13.03 Water in de bodem.

Kalk. Druppel azijn op droge grond. Bruist het, dan is de grond kalkrijk wordt getoetst. Dat geldt vaak voor jonge zeeklei, kustduinen en grond op mergel in Zuid-Limburg wordt getoetst. Geen bruis zegt niets over zuur of niet.

Kleur en geur. Donker betekent meestal humus. Grijs met roestvlekken betekent dat water er een deel van het jaar staat wordt getoetst. Een geur van rotte eieren betekent zuurstofgebrek wordt getoetst.

Polder, veen en zandgrond

Op landbouwgrond in Nederland is 47 procent zand, 42,5 procent klei, 9 procent veen en 1,5 procent löss (RIVM).

№GrondHerken je aanTelenBouwen en wonen
1Zeeklei in poldersVlak, sloten, zwaar, plaktRijk, maar werk alleen als het niet te nat is; bedden ophogen wordt getoetstVaak slappe lagen; kijk naar oude funderingen (12.02 Funderingen begrijpen)
2VeenZwart, vezelig, veertVaak weiland; droogt het, dan klinkt het in en verdwijnt het. Bodemdaling is meestal onomkeerbaar. Water hoog houden helptZwak; bij droogte schade (12.02 Funderingen begrijpen)
3Hoge zandgrondHeide, den, stuifzandLicht zuur, schraal, droogtegevoelig wordt getoetst. Compost helpt (13.02 Bodemleven en compost). Kalk alleen als je pH meet: te veel is ook slecht wordt getoetstStevig, droog, goed voor bouwen
4Rivierklei en lössLangs rivieren, LimburgVruchtbaar; löss spoelt op hellingen weg wordt getoetstPas op voor hoogwater

Graaf in veen geen diepe sloot om droger te zitten: je grond verdwijnt.

Erosie, droogte en brand

  • Erosie. Kale löss op een helling spoelt weg, en droog stuifzand waait weg wordt getoetst. Houd grond bedekt, ook tussen bomen.
  • Droogte. Ook hier komen droge zomers voor, en op hoge zandgrond merk je dat het eerst wordt getoetst. Bouw je plan op de droogste zomer, niet op een gemiddelde. Plant waar de grond diep is (13.03 Water in de bodem).
  • Brand. Heide, dennenbos en duinen kunnen al in een droge lente branden wordt getoetst. Dicht struikgewas tegen huis of boomgaard is een lont (VK.C04 Een brandgang maken).

Wat planten verraden

Planten zijn gratis meters, maar geen zekere. Lijsten van "zuurplanten" verschillen, ook tussen voorlichtingsdiensten, en veel onkruiden verdragen van alles (Garden Myths). Kijk naar groepen van minstens drie soorten die hetzelfde zeggen, en meet erbij. Weet je niet zeker wat het is, lees 03.03 Giftige planten en dubbelgangers.

№PlantWijst opZekerheid
1Heermoes (akkerpaardenstaart)Slechte afwatering wordt getoetstBronnen verschillen over lage pH
2Pitrus, zeggen, lisdoddeNatte grond wordt getoetstVeldkennis
3SchapenzuringDroog, zandig, zuur, arm wordt getoetstVoorlichting; bronnen verschillen
4RidderzuringVaste, natte, rijke grond wordt getoetstVoorlichting; bronnen verschillen
5BrandnetelRijke grond, vaak stikstof en oude bewoning wordt getoetstBronnen verschillen
6StruikheideZuur, arm zand wordt getoetstVeldkennis
7Zeekraal, zeeasterZout wordt getoetstVeldkennis

Microklimaat en vorstkuilen

Koude lucht. Koude lucht is zwaarder dan warme, stroomt als water naar beneden en verzamelt zich in laagten. De Universiteit van Californië noemt de keuze van de plek de belangrijkste bescherming tegen vorst. Ook toppen zijn koud. Plant op hellingen waar de koude lucht weg kan.

Obstakels. Een haag, muur, dijk of bosrand onderaan de helling is een dam. Daarvoor ontstaat een vorstkuil. Maak een opening.

Grond. Vochtige, kale grond slaat overdag meer warmte op dan droge grond of grond onder gras. De bovenste 30 cm geeft die warmte 's nachts terug. Mulch en onkruid maken het op een vorstnacht juist kouder. Haal in het voorjaar mulch weg rond tere planten wordt getoetst.

Vroege bloei. De Universiteit van Californië plaatst bladverliezende fruitbomen op noordhellingen, omdat ze daar later bloeien (13.08 Bomen en boomgaarden).

Meten. Zet op heldere nachten een thermometer in de laagte en één halverwege de helling, op dezelfde hoogte boven de grond. Lees ze bij zonsopgang en zet de verschillen op je kaart.

№PuntWat je kunt verwachten
1VorstDe Bilt: gemiddeld 53 vorstdagen per jaar (KNMI). Eerste vorst rond 3 november, plaatselijk eerder
2Laatste vorstLaat in april tot in mei is mogelijk wordt getoetst
3Beste plekBeschutte zuidkant, boven een laagte

Waar je wel en niet moet telen en bouwen

№GoedNiet
1TelenZon, diepe grond, water binnen bereik, beschut, helling boven een vorstkuilVorstkuil, natte laagte, oude stort, fabrieksterrein, langs drukke wegen wordt getoetst (02.06 Chemische verontreiniging), kale steile helling
2BouwenHoger dan het hoogste bekende water, stevige grond, uit de wind, op afstand van bomen die kunnen vallen (05.01 Een plek kiezen)Uiterwaard, droog dal, beekbedding, modderwaaier onderaan een helling, onder een steile wand, op opgehoogde grond, op veen, in de laagste hoek van de polder
3Put en latrinePut hoog, latrine lager en stroomafwaarts (02.11 Een put slaan en beschermen)Latrine boven een put of in een waterloop

Zet alles op één kaart met lagen voor water, vorst, grond en wind. Waar goede lagen overlappen, begin je (13.05 Teeltplanning).

Zo weet je dat het werkt

  • Je kaart laat zien waar water loopt en waar het blijft staan, gemeten in echte buien.
  • Je hebt bij elke groep bedden een handproef gedaan.
  • Je weet na een jaar waar de eerste en de laatste vorst valt.
  • Planten die je zaait, doen het op de plek die je koos, en niet alleen in een goed jaar.

Zo weet je dat het misgaat

  • Bedden staan na regen dagenlang onder water: verhoog ze of verplaats ze; maak afvoer.
  • Bloesem bevriest elk jaar op dezelfde plek: je staat in een vorstkuil. Maak een opening in de haag of verplaats de bomen.
  • Groente verbrandt bij hitte: zet schaduw of verhuis naar de oostkant.
  • Geulen verschijnen na regen: de grond vertrekt. Dek af en maak drempels.

Gevaar · Water en helling Bouw, slaap en kampeer nooit in een uiterwaard, een droog dal of de laagste hoek van de polder, hoe droog of vlak het ook lijkt. Eén bui bovenstrooms kan genoeg zijn, of één gemaal dat stilvalt. In 1953 kwamen 1835 mensen om bij de watersnood (CBS).

  • Ga bij een stortbui weg uit dalbodem, holle weg en onderdoorgang, en ga naar hoger.
  • Blokkeer geen natuurlijke afvoer.
  • Eet niet zonder meer uit grond van een oud fabrieksterrein of stort (02.06 Chemische verontreiniging).

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1KaartenEigen schets met passen en kompas (14.05 Een lokale kaart maken)
2ThermometerRijp, dauw en bevroren water in schaaltjes op meerdere plekken
3AzijnCitroensap of andere zure vloeistof; kleinere bruis wordt getoetst
4Oude bewonersOude bomen, oude muren, oude gebouwen en de plaatsen waar nooit iemand bouwde
5Een jaar tijdBegin klein en op meerdere plekken; verplaats wat niet werkt

Achtergrond

Op een windstille nacht ontstaat een laag koude lucht aan de grond, met warmere lucht erboven. Waait het, dan wordt die laag gemengd. Klei heeft fijne deeltjes en plakt, en vormt daarom een lang lint. Planten groeien niet alleen waar ze het fijn vinden, maar ook waar ze van anderen winnen. Daarom zijn ze aanwijzingen en geen meetinstrumenten. Nederlands onderzoek met ongeveer 7000 vegetatieopnamen vond dat het gemiddelde Ellenberg-getal van een hele begroeiing de pH en de voorjaarsgrondwaterstand redelijk goed schat. Dat gaat over groepen, niet over één plant.

Bewijs: koude lucht verzamelt zich in laagten en plekkeuze als beste bescherming A (fysica en jarenlange fruitteelt). Lintproef B (gangbare veldmethode, geen percentages). Groepen planten als aanwijzing B (Ellenberg-onderzoek), losse planten C tot D. Niet bouwen op plekken die kunnen onderlopen A (vastgelegde rampen). Kalkproef met azijn C. Hagen en windbeschutting C.

Volgende niveau

Maak van je kaart een jaarboek met per seizoen water, vorst en schaduw, en leg het na een jaar naast de oogst. Lees 13.03 Water in de bodem voor meten en sturen, 13.02 Bodemleven en compost voor het verbeteren van grond, en 13.08 Bomen en boomgaarden voor de plek van bomen. Leer ook VK.H02 Klei vinden en testen.

Controlelijst

  • Ik heb een kaart met helling, water, wind, zon en grond.
  • Ik heb in de regen gekeken waar het water loopt.
  • Ik weet op een koude ochtend waar de vorstkuil in mijn land ligt.
  • Ik kan de handproef doen en lees klei, leem en zand.
  • Ik gebruik plantengroepen als aanwijzing en meet erbij.
  • Ik bouw en slaap nooit in een uiterwaard, een droog dal of de laagste hoek van de polder.
  • Ik kies in het eerste jaar klein, en doe geen blijvende grote stappen.

Verantwoording

Open in de app en bewaar offline