Hoofdstuk · Navigatie, communicatie & vervoer
Een kompas gebruiken
Een richting nemen, vasthouden en controleren, ook in mist en donker
Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.
Gevaar · De naald staat omgekeerd Een sterke magneet, vaak de luidspreker van een telefoon in dezelfde zak, kan de naald ompolen. Dan wijst rood naar het zuiden en loop je precies de verkeerde kant op. Controleer je kompas bij elke tocht tegen zon of Poolster. Bewaar kompas en telefoon in verschillende zakken. Zelf opnieuw magnetiseren gaat zelden goed: neem een ander kompas wordt getoetst.
Gevaar · Een rechte lijn is niet altijd een weg Een peiling kent geen groeve, geen diepe sloot en geen moeras. Volg nooit blind een lijn op de kaart door onbekend terrein in het donker. Bekijk eerst de hoogtelijnen en het water (14.03 Routes voorbereiden). Bij een rivier zoek je een veilige oversteek (VK.E03 Een rivier veilig oversteken).

Waarom dit telt
Een kompas werkt zonder stroom en zonder netwerk. In mist, bos of donker houdt het je op koers, juist als je zelf denkt dat je rechtdoor loopt. Proeven laten zien dat mensen zonder zon of herkenningspunt in cirkels gaan lopen zonder het te merken (14.11 Navigeren zonder kompas). Met een plaatkompas en een kaart vind je ook een plek die je niet kunt zien.
Als er nog hulp is Zit je vast en heb je bereik, geef dan aan 112 je laatste rastercijfers en je looprichting in graden door.
Eerst doen
- Koop nu een plaatkompas en houd het apart van je telefoon.
- Test het: houd het vlak en kijk of de rode punt naar het noorden wijst, niet naar het zuiden. Vergelijk met de middagzon of de Poolster.
- Leer het kompas lezen: draai jezelf tot de rode naald in de pijl op de bodem ligt.
- Neem een peiling op de kaart of in het land, en corrigeer voor declinatie: ongeveer 3 graden (zie de tabel).
- Kies een mikpunt in die richting, loop ernaartoe en neem daar een nieuw mikpunt.
- Kijk om: je terugpeiling moet naar je vertrekpunt wijzen.
Wat je nodig hebt
- Een plaatkompas met vloeistof in de capsule, een doorzichtige plaat met liniaal en een ring met streepjes van 2 graden wordt getoetst. Een voor elke groep van vier, plus een reserve wordt getoetst.
- Een koord om je nek, zodat je het kompas niet verliest.
- Kaart en potlood (14.01 Kaarten lezen).
- Een telkoord voor je passen (VK.F09 Afstand meten met je pas).
- Een zaklamp voor het donker. Een kompas met lichtgevende punten helpt ook. Een telefoonkompas is handig zolang de accu vol is, maar het raakt van slag en moet soms opnieuw worden ingesteld wordt getoetst. Vertrouw er niet op als enige.
Werkwijze
De onderdelen
| № | Onderdeel | Wat het doet |
|---|---|---|
| 1 | Plaat | Doorzichtige plaat met liniaal, legt een lijn op de kaart |
| 2 | Looprichtingspijl | Wijst waar je heen loopt |
| 3 | Ring | Draaibaar, met 360 graden; aan de indexstreep lees je je peiling af |
| 4 | Naald | Rood wijst naar magnetisch noord |
| 5 | Oriëntatiepijl | Vaste pijl op de bodem van de ring, de "schuur" voor de rode naald |
| 6 | Oriëntatielijnen | Lijnen in de ring die je evenwijdig aan het raster legt |
Het kompas vasthouden
Houd het kompas vlak voor je borst of buik, ellebogen tegen je lijf. Draai je hele lichaam, niet alleen je arm. Wacht tot de naald stilstaat. Zo blijft hij vrij draaien en houd je afstand tot metaal aan je lijf.
Declinatie: drie noordens
Er zijn drie noordens: echt noord, rasternoord (de lijnen op de kaart) en magnetisch noord (waar de naald heen wijst). De naald wijst in onze streken iets naast het echte noorden. Dat verschil heet declinatie. Voor een kaart met raster telt het verschil tussen raster en naald.
| № | Plaats | Declinatie, nov 2026 | Verandering per jaar | Naald t.o.v. raster |
|---|---|---|---|---|
| 1 | Vlissingen | 2,4° oost | +0,16° | ongeveer 3,8° oost wordt getoetst |
| 2 | Utrecht | 2,8° oost | +0,16° | ongeveer 3,0° oost wordt getoetst |
| 3 | Groningen | 3,3° oost | +0,16° | ongeveer 2,3° oost wordt getoetst |
De declinatie komt uit het World Magnetic Model 2025 (WMM). De laatste kolom is eigen rekenwerk met het RD-raster. Rond dat af: 3 graden in 2026 (Zeeland 4, Groningen 2). De regel bij een naald die oost van het raster wijst:
- Van kaart naar land: trek het getal af. Op de kaart 120 graden: zet de ring op 117.
- Van land naar kaart: tel het getal op. In het land 117 graden, op de kaart 120. Is het de moeite waard? Elke graad fout is 18 meter naast je doel per kilometer. Drie graden over 5 km is ruim 250 meter: je mist het dorp, de brug of de bron. De declinatie verandert. Op de rand van een oude kaart staat een oud getal: reken met de jaarlijkse verandering door, of beter nog, meet het zelf (zie hieronder). Het model is gemaakt tot 2030 wordt getoetst. Daarna is doorrekenen een schatting.
Declinatie zelf meten
Zonder internet of nieuwe kaart meet je de declinatie op een heldere nacht. Zet twee stokken op één lijn met de Poolster (VK.F11 Noord en breedtegraad met de Poolster). Peil die lijn met je kompas. Wijst het kompas 357, dan is de declinatie 3 graden oost. Dit is het verschil met echt noord. Voor het raster reken je het verschil tussen de kolommen declinatie en raster in de tabel erbij. Schrijf datum en getal op je kaart. Reken op een fout van 1 tot 2 graden wordt getoetst.
Een peiling op de kaart nemen
- Leg de rand van de plaat langs de lijn van je plek naar je doel, met de looprichtingspijl naar je doel.
- Houd de plaat stil. Draai de ring tot de oriëntatielijnen evenwijdig lopen aan de rasterlijnen van noord naar zuid, en de N op de ring naar het noorden van de kaart wijst. Let niet op de naald.
- Haal het kompas van de kaart. Corrigeer voor declinatie door de ring te draaien.
- Houd het kompas vlak en draai je lichaam tot de rode naald in de oriëntatiepijl ligt: rood in de schuur.
- De looprichtingspijl wijst nu naar je doel.
Een peiling in het land nemen
- Wijs met de looprichtingspijl naar het object.
- Draai de ring tot rood in de schuur ligt.
- Lees aan de indexstreep de peiling af.
- Wil je dit op de kaart zetten, tel dan het getal van de declinatie erbij op.
Een peiling lopen
- Kijk langs de pijl en kies een mikpunt: een boom, rots, paal. Hoe verder, hoe beter, zolang je het kunt zien.
- Bewaar het kompas en loop naar dat punt. Je mag om obstakels heen, want het mikpunt blijft staan.
- Bij het punt: pak het kompas, kies een nieuw mikpunt.
- Tel je passen en vergelijk met de kaart. In mist of donker zonder mikpunten stuur je iemand vooruit tot hij net zichtbaar is. Wijs hem op je lijn, loop naar hem toe en herhaal wordt getoetst. Moet je om een obstakel heen dat je niet kunt zien doorlopen, zoals een moeras of een afgrond? Ga haaks opzij en tel je passen. Loop op de oude peiling langs het obstakel. Ga daarna weer haaks terug met hetzelfde aantal passen wordt getoetst.
De terugpeiling
De terugpeiling is de tegenovergestelde richting. Is je peiling 180 graden of minder, tel er 180 bij op. Is hij meer, trek er 180 af. Reken dit rustig na: een fout stuurt je de verkeerde kant op. Zonder rekenen: laat de ring staan, en leg de witte kant van de naald in de oriëntatiepijl. De looprichtingspijl wijst nu terug wordt getoetst. Gebruik de terugpeiling om te controleren of je nog op je lijn zit, kijk daarvoor om naar je vorige mikpunt. Noteer hem ook bij het vertrek: je hebt hem nodig als je moet terugkeren.
Doelbewust afwijken
Je doel ligt aan een lange lijn: een brug aan een kanaal, een hut aan een beek, een auto aan een weg. Loop je er recht op af en je ziet het niet, dan weet je niet of je links of rechts moet.
- Mik bewust een stuk naast je doel. Het Amerikaanse leerboek noemt meestal 10 graden: dat is ongeveer 180 meter per kilometer.
- Loop tot je de lange lijn raakt.
- Je weet nu aan welke kant je doel ligt. Volg de lijn ernaartoe. Twee hulpjes daarbij. Een aanvalspunt is een duidelijk kenmerk dicht bij je doel, liefst binnen 500 meter, dat je eerst zoekt. Vandaar loop je het laatste stuk op peiling en passen. Een opvangkenmerk is iets achter je doel, bijvoorbeeld een beek of een weg: bereik je dat, dan ben je te ver. Spreek vooraf af wat dat is. Beken kunnen droog staan, dus kijk ook naar de hoogtelijnen.
Je plek bepalen met peilingen
Je ziet twee of drie dingen die op de kaart staan, maar je weet niet precies waar je bent.
- Peil het eerste object in het land en tel de declinatie erbij op.
- Laat de ring staan. Leg het kompas op de kaart met de rand tegen het object. Draai het hele kompas tot de oriëntatielijnen evenwijdig aan het raster lopen, N naar het noorden.
- Trek langs de rand een lijn. Jij staat ergens op die lijn.
- Doe hetzelfde met een tweede en liefst een derde object. Kies objecten die ongeveer 60 tot 120 graden uit elkaar liggen wordt getoetst.
- Waar de lijnen elkaar kruisen, sta jij. Drie lijnen geven een klein driehoekje. Is dat groot, doe het dan over. Sta je op een weg, kanaal of beek, dan is één peiling genoeg: waar de lijn de weg kruist, sta je.
Storing door metaal
IJzer en magneten trekken de naald weg. Andere metalen doen dat niet. Afstanden uit het Amerikaanse legerhandboek:
| № | Bron | Blijf zo ver weg |
|---|---|---|
| 1 | Hoogspanningslijn | 55 meter |
| 2 | Auto, vrachtwagen, zwaar materieel | 18 meter |
| 3 | Prikkeldraad, telefoondraad | 10 meter |
| 4 | Geweer of stalen helm | een halve meter |
Hetzelfde geldt voor een mes, bijl of stalen fles wordt getoetst. Telefoon, magneetsluitingen van jassen en hoezen, en een riemgesp trekken de naald ook weg. Stap een paar meter opzij en meet opnieuw. Beton met staal, spoorlijnen en bruggen geven ook storing wordt getoetst. Twijfel je, meet dan op twee plekken die wat uit elkaar liggen: wijkt de peiling af, dan is er storing. Vertrouw dan meer op kaart en terrein.
Oefenen
- Vierkant. Zet een stok in de grond. Loop 50 meter op 40 graden, dan op 130, 220 en 310. Je moet binnen een paar meter van je stok uitkomen wordt getoetst.
- Terugpeiling. Loop 500 meter op een peiling, keer om en loop terug op de terugpeiling.
- Afwijken. Zoek een brug aan een kanaal of een pad aan een beek en bereik die op een peiling met doelbewuste afwijking.
- Plek bepalen. Ga ergens staan, peil drie objecten en vergelijk met je echte plek. Oefen ook in slecht weer en in het donker, met de kaart in de hoes.
Zo weet je dat het werkt
- Je loopt een vierkant en komt uit waar je begon.
- Je peiling klopt met wat je op de kaart verwacht: het volgende kenmerk komt op de juiste plek.
- Je terugpeiling wijst naar waar je vandaan kwam.
- Je plekbepaling valt binnen 100 meter van de echte plek wordt getoetst.
- Op een heldere avond wijst je naald binnen een paar graden naar de Poolster.
Zo weet je dat het misgaat
- De naald blijft hangen of draait traag: houd hem vlak, haal metaal weg en tik zacht op het kompas wordt getoetst. Blijft hij hangen, gebruik je reserve.
- Het land klopt niet met de peiling, terwijl je weet waar je bent: test op poolomkering (zie gevaar) en kijk of de ring is verdraaid.
- Je wilt steeds "even" een andere kant op omdat het gevoel zegt dat het kompas fout zit: stop. Mensen verliezen hun richtingsgevoel; het kompas meestal niet. Controleer op metaal en loop dan op je peiling verder.
- Je mist je doel: je hebt geen opvangkenmerk afgesproken. Loop terug naar het laatste zekere punt of naar de lange lijn.
- Er zit een grote luchtbel in de capsule of de vloeistof is weg: een kleine bel hindert niet, een grote wel wordt getoetst. Vervang het kompas.
Gevaar · De naald staat omgekeerd Een sterke magneet, vaak de luidspreker van een telefoon in dezelfde zak, kan de naald ompolen. Dan wijst rood naar het zuiden en loop je precies de verkeerde kant op. Controleer je kompas bij elke tocht tegen zon of Poolster. Bewaar kompas en telefoon in verschillende zakken. Zelf opnieuw magnetiseren gaat zelden goed: neem een ander kompas wordt getoetst.
Gevaar · Een rechte lijn is niet altijd een weg Een peiling kent geen groeve, geen diepe sloot en geen moeras. Volg nooit blind een lijn op de kaart door onbekend terrein in het donker. Bekijk eerst de hoogtelijnen en het water (14.03 Routes voorbereiden). Bij een rivier zoek je een veilige oversteek (VK.E03 Een rivier veilig oversteken).
Als je iets mist
| № | Mis je | Gebruik dan |
|---|---|---|
| 1 | Plaatkompas | Een ander kompas, of een drijvende naald, zon en sterren (14.11 Navigeren zonder kompas) |
| 2 | Kaart | Peil toch een vaste richting en je terugweg; schrijf ze op met je pastelling (14.05 Een lokale kaart maken) |
| 3 | Liniaal | De rand van een stuk papier |
| 4 | Mikpunt | Stuur iemand vooruit, of kijk naar de wolken als ze stil staan. Bewegende wolken zijn onbruikbaar wordt getoetst |
| 5 | Declinatie | Meet hem zelf met de Poolster. Geen meting: neem de waarde uit de tabel plus 0,16 graad per jaar na 2026 |
| 6 | Reserve voor de groep | Laat twee mensen dezelfde peiling lezen, zo vang je afleesfouten |
Achtergrond
De aarde gedraagt zich als een grote magneet. De naald draait mee met dat veld. Het magnetisch noorden is niet het echte noorden en het schuift steeds. Daarom loopt de declinatie hier elk jaar ruim 9 boogminuten op. Het veld loopt ook schuin de grond in: in Utrecht onder 67 graden. De fabrikant balanceert de naald daarvoor wordt getoetst. Nederland valt daarbij in de noordelijke zone wordt getoetst. Koop geen kompas dat voor het zuidelijk halfrond is gemaakt wordt getoetst. Waarom helpt afwijken? Je peiling heeft altijd een kleine fout. Bij een fout van een paar graden mis je op enkele kilometers je doel, en je weet niet aan welke kant. Met een bewuste fout weet je het wel. Bewijs: magnetische declinatie uit het WMM A (wereldwijd model, door NOAA en BGS bijgehouden). Omrekening naar raster C (eigen rekenwerk, nog te toetsen). Afstanden tot metaal B (legerhandboek). Poolomkering door een telefoon B (kaartenmakers en praktijkmeldingen). Doelbewust afwijken, aanvalspunt en opvangkenmerk B (leger en bergsportopleiding).
Volgende niveau
Zet een hele tocht op papier met per stuk de peiling, afstand en tijd (14.03 Routes voorbereiden). Leg vaste richtingen en punten vast (14.04 Landmerken vastleggen). Meet elk jaar de declinatie opnieuw en schrijf hem op je kaart en in het archief (16.01 Een kennisarchief). Leer ook de manieren zonder kompas (14.11 Navigeren zonder kompas).
Controlelijst
- Ik heb een plaatkompas, en het ligt niet bij mijn telefoon.
- Ik controleer de naald op poolomkering voor elke tocht.
- Ik neem een peiling op de kaart en in het land, en corrigeer voor declinatie.
- Ik kies mikpunten en loop van punt naar punt.
- Ik weet mijn terugpeiling en noteer hem bij vertrek.
- Ik wijk bewust af als mijn doel aan een lange lijn ligt.
- Ik blijf uit de buurt van metaal en meet opnieuw als iets niet klopt.
- Ik heb de declinatie van mijn eigen plek op mijn kaart staan.
Verantwoording
- British Geological Survey: Model web service, WMM2025, Utrecht: declinatie 2,835° oost, verandering 9,4 boogminuten per jaar, inclinatie 67,3°, datum 4 november 2026.
- BGS WMM2025, Groningen en Vlissingen: 3,276° oost en 2,380° oost.
- FM 3-25.26, hoofdstuk 9 Navigation Equipment and Methods (kopie bij 550 Cord): afstanden tot metaal, vasthouden van het kompas, doelbewust afwijken van meestal 10 graden, ongeveer 18 meter per graad per 1.000 meter. Dit handboek gaat over een ander kompastype dan het plaatkompas.
- FM 3-25.26, hoofdstuk 6 Direction: drie noordens, terugpeiling plus of min 180, plekbepaling met twee of drie punten, plekbepaling op een lijn.
- FM 3-25.26, hoofdstuk 11 Terrain Association: aanvalspunt, liefst binnen 500 meter, opvangkenmerk.
- Ordnance Survey: Beginner's guide to using a compass: onderdelen, de stappen voor een peiling, rood in de schuur, mikpunten, invloed van telefoons en gespen.
- Harvey Maps: Compasses and magnetism (februari 2022): telefoon als hoofdoorzaak van ompoling, magneetsluitingen buigen de naald af, stalen mes stoort alleen dichtbij, kompas en telefoon in aparte zakken.
- Mountaineering Council of Scotland: Aiming off, attack points, handrails (bij Ben-Nevis.com): doelbewust afwijken en aanvalspunt.
- Mountaineering Council of Scotland: Catching features (bij Ben-Nevis.com): opvangkenmerk vooraf kiezen, beken kunnen droog staan. Niet met een primaire bron onderbouwd en daarom gemarkeerd: de omrekening van declinatie naar raster (eigen rekenwerk met een benadering), de nauwkeurigheid van de eigen meting met de Poolster, de specificatie van het kompas, zones voor de naaldbalans, de methoden in mist en rond obstakels, de hoek tussen objecten bij plekbepaling, de oefenmaten, en staal in beton en bruggen. Getoetst door: nog niet.