Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Bouwen & herstellen
  4. Wegen en paden

Hoofdstuk · Bouwen & herstellen

Wegen en paden

Een pad dat droog blijft, draagt en de volgende wolkbreuk overleeft

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · Stromend water Ga niet door water dat stroomt, niet met een kar en niet te voet. Een weg onder water kan weg zijn.

  • Bouw of herstel niets in een droogdal, geul of beekbedding als er een bui dreigt, ook niet ver stroomopwaarts.
  • Een verstopte duiker kan je aanzuigen. In Australië werd een werknemer die een verstopte buis van 300 mm wilde vrijmaken erin gezogen en verdronk hij (SafeWork NSW). Steek geen hand of voet in de instroom; wacht tot het water weg is.
  • Is er echt geen andere weg, lees dan VK.E03 Een rivier veilig oversteken en 14.16 Veilig op en in het water.

Gevaar · Graven en puin Een sleuf kan zonder waarschuwing instorten. Graaf nooit alleen en stut vanaf een meter diep (12.02 Funderingen begrijpen).

  • Golfplaat, oude buizen en plaatmateriaal kunnen asbest zijn. Breek en stort dit niet.
  • Zoek voor het graven naar leidingen en kabels.
Op een natte grindweg in een polder scheppen mensen een greppel uit, terwijl een oudere vrouw steenslag uit een kruiwagen in een kuil stort.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

Zonder begaanbare weg komt er geen hout of oogst over het terrein, en krijg je een zieke niet weg. Vaak breekt niet het verkeer maar het water een onverharde weg: een vrije greppel kan meer doen dan een vracht steen wordt getoetst.

Als er nog hulp is Meld schade bij de gemeente of het waterschap, en graaf niet in een beek of sloot zonder toestemming van de waterbeheerder. Een overstroomde weg is werk voor 112, niet voor jou.

Eerst doen

  1. Kijk tijdens een rustige bui of vlak erna waar het water heen gaat, en teken dat op (14.05 Een lokale kaart maken). Blijf weg van stromend water en taluds.
  2. Maak eerst de afvoer vrij: greppels, duikers en dwarsgoten. Pas daarna vul je iets op. Werk nooit aan een duiker terwijl er water voor staat of in stroomt.
  3. Haal het water op korte afstanden van de weg af, zodat het nergens kracht krijgt.
  4. Vul kuilen met steenslag en stamp die aan. Gebruik nooit alleen aarde.
  5. Ga nooit door stromend water, te voet of met een kar.
  6. Houd zware karren van de weg als die nat, doorweekt of aan het ontdooien is.

Wat je nodig hebt

  • Schoppen, een houweel, kruiwagens, een hark, een stamper (een paal met een plaat onder), touw en piketten.
  • Een waterpas en een lat, of een doorzichtige slang met water (09.03 Meten en markeren).
  • Steenslag of puin in maten van zand tot vuist, en grof zand of grind voor de bovenlaag.
  • Handschoenen, stevige schoenen, een bril bij het breken van steen.
  • Voor duikers: betonbuis, stalen vaten of stenen en een platte steen als deksel.
  • Voor slappe grond: takken, stammen, jutezakken of oud zeil.

Werkwijze

Hoe een weg werkt

Een weg spreidt gewicht over de grond eronder. Natte grond draagt weinig, dus de eerste taak is droog houden.

№LaagWat ze doetMateriaalDikte
1OndergrondDraagt allesDe grond zelf, zonder wortels en humusVlak en op bolling
2FunderingSpreidt het gewichtSteenslag, gebroken puin, grof grind15 cm voor een voetpad, 20 tot 30 cm voor karren wordt getoetst
3BovenlaagSluit af en voert water afFijn grind met zand en wat klei, korrels tot 2 cm5 tot 10 cm wordt getoetst

Een voetpad is ongeveer 1,2 meter breed en een pad voor karren 2,5 tot 3 meter wordt getoetst. Reken op wat eroverheen moet (14.13 Karren en lastdieren, 14.12 De fiets als ruggengraat).

Een draagkrachtig pad aanleggen

  1. Zet de route uit met touw. Kies waar het water niet stroomt en liefst iets hoger ligt, niet door de laagste plek.
  2. Steek humus en wortels weg tot op vaste grond. Bewaar de teelaarde voor de moestuin.
  3. Vorm de ondergrond al op bolling, zodat het water ook daar wegloopt.
  4. Stort de fundering in lagen van hoogstens 15 cm wordt getoetst. Grof onderin, fijner naar boven.
  5. Stamp elke laag tot je geen voetafdruk meer ziet wordt getoetst.
  6. Leg de bovenlaag en stamp die op bolling. Puin is goede fundering als het alleen steen en beton is. Haal er hout, gips, plastic, glas en wapeningsstaal uit. Golfplaat en leidingen kunnen asbest zijn: laat die liggen (10.01 Veilig slopen, 12.11 Puin ruimen en veilig slopen). Leg scherpe stukken nooit bovenop, en leg geen puin van onbekende herkomst bij een put of moestuin wordt getoetst.

Bolling en afschot

Een plas wordt een kuil, dus water moet snel van het wegdek af. De FAO, de voedselorganisatie van de VN, geeft drie vormen.

№VormDwarshellingWanneer
1Bolling, hoog in het midden3 tot 10 procentVlak terrein en brede wegen; snelste afvoer, lastiger te onderhouden
2Naar buiten, naar de lage kant3 tot 5 procentLichte paden op hellingen; werkt slecht op zacht glooiend terrein, en op natte klei glijdt een kar naar de rand wordt getoetst
3Naar binnen, naar de bergkant3 tot 5 procentVaste wegen en gevoelige grond; vraagt een greppel aan de bergkant

Kies 4 procent: dat is 4 cm hoogteverschil per meter, ook de waarde die voor Amerikaanse grindwegen wordt genoemd wordt getoetst. Meet het met een lat van 1 meter, een waterpas en een blokje van 4 cm onder het lage eind.

Greppels

  • De FAO gebruikt voor een onverharde greppel een bodemhelling van minstens 1 procent, dus 1 cm per meter. Een vlakkere greppel slibt dicht. In vlak polderland haal je dat niet: sluit dan aan op een sloot en maak de greppel vaker schoon wordt getoetst.
  • Een simpele vorm is een V van 30 cm diep met wanden van één op één tot één op twee; hoe losser de grond, hoe flauwer wordt getoetst.
  • Laat het water minstens 30 cm onder de onderkant van de fundering blijven.
  • Laat gras in de greppel staan, tenzij het de afvoer echt remt. Bekleding met gras, jute of steen kan de erosie volgens de FAO tot de helft beperken.
  • Boven 10 procent helling spoelt een kale greppel uit. Leg dan stenen of kleine drempels in de bodem.
  • Leid greppelwater regelmatig het land in wordt getoetst, en nooit naar een huis, put of latrine (02.10 Een latrine graven, 13.03 Water in de bodem).

Water dwars van de weg halen

Op een helling graaft water een geul in de lengte van de weg. Stuur het daarom steeds weg, onder een hoek van minstens 30 graden naar beneden (FAO).

  • Dwarsgeul of drempel. Een lage rug met een geul erachter. Goedkoop, voor paden en stille wegen.
  • Dip. Een brede, ondiepe kom in het wegdek, waarin karren gewoon doorrijden. De FAO wil minstens 30 cm hoogteverschil tussen kruin en dal, en gebruikt dips alleen bij een helling onder 10 procent. Een Amerikaanse veldgids zou 12 procent noemen wordt getoetst; houd de voorzichtige 10 procent aan.
  • Open goot. Twee planken of stenen op een stuk bodem, 7 tot 10 cm breed en 10 tot 20 cm diep, met minstens 4 procent verval, dan spoelt hij zichzelf schoon. Deze afstanden zijn naar beneden afgerond uit een FAO-tabel voor Noord-Amerikaanse boswegen, voor het bovenste deel van een noordhelling. Halverwege de helling gaat er volgens de FAO 5,5 meter af, onderaan 11 meter, en op een zuidhelling nog eens 4,6 meter. Blijft er weinig over, kies dan een andere route wordt getoetst.
№Helling van de wegStevige, steenachtige grondErosiegevoelige grond (löss, fijn zand)
12 procent50 meter25 meter
26 procent40 meter20 meter
310 procent35 meter15 meter
414 procent30 meter10 meter

Op kale löss in Zuid-Limburg spoelt een zomerse stortbui sneller uit dan deze tabel aanneemt. Neem daar de helft van deze afstanden wordt getoetst. Leg stenen of takken aan het einde van elke geul, zodat het water daar niet alsnog graaft.

Duikers

Een duiker is een buis onder de weg. Raakt hij verstopt, dan loopt het water over de weg en spoelt die weg.

  1. Leg hem in de lijn van de bestaande geul, op dezelfde helling als de bodem. Bij 3 procent of meer blijft hij schoon.
  2. Neem hem groot. De FAO wil minstens 45 cm doorsnede. Kleiner kan alleen bij een voetpad over een kleine greppel, en die moet je vaak schoonmaken wordt getoetst. De opening moet minstens zo groot zijn als de geul tot aan de hoogwaterlijn wordt getoetst.
  3. Graaf een sleuf, leg een vlak bed van 8 cm zand of grind, en leg de buis erop.
  4. Vul aan met lagen van hoogstens 15 cm, stenen niet groter dan 8 cm, en stamp aan beide kanten tegelijk. Volgens de FAO draagt de omringende grond ongeveer 90 procent van de last, de buis zelf maar 10.
  5. Leg er bij een voetpad minstens 30 cm grond op, of de halve doorsnede als die groter is wordt getoetst. De FAO werkt bij echte wegen met minstens 1 meter; voor karren neem je dus duidelijk meer.
  6. Laat de buis 30 tot 50 cm voorbij de voet van het talud uitsteken en bescherm die plek met stenen of takken. Oude vaten roesten weg wordt getoetst. Een gemetselde koker met een platte steen erop gaat langer mee.

Modder, klei en veen

Klei draagt goed als ze droog is, maar wordt nat glad en zacht. Graaf geen kuil voor steen, want die loopt vol water. Bouw omhoog: greppels aan beide kanten, de grond daartussen op bolling, en dan pas steen. Een laag zand, oud zeil of jute tussen klei en steen houdt de steen langer boven de klei wordt getoetst. Veen is grotendeels water en plantenresten. Oude wegen in het veenweidegebied liggen op dalend veen, en zware lasten maken dat erger wordt getoetst. Drooglegging laat veen ook oxideren, dus dieper ontwateren helpt niet wordt getoetst. Bouw licht. Leg een mat van takken of stammen dwars op de looprichting, met daarop een dunne laag zand of schelpen wordt getoetst. Reken erop dat het pad zakt en dat je elk jaar moet aanvullen wordt getoetst. Blijf van het peil van het waterschap af (02.14 Hoogwater, dijken en gemalen).

Vorst en dooi

Bevroren grond draagt goed. Gevaarlijk is de dooi: de bovenlaag ontdooit eerst, het water kan niet weg door de bevroren laag eronder, en de weg wordt soep wordt getoetst. Houd in die weken zware karren van de weg; de vorst kan hier tot ongeveer 60 cm komen (12.01 Bouwprincipes). De FAO zet een controle na de dooi in het vaste onderhoud.

Steile hellingen en erosie

  • Een kar haalt 10 tot 12 procent, een voetganger 15 tot 20 procent zonder traptreden wordt getoetst. Zoek bij meer een zigzagroute met ruime bochten.
  • Leg op een steil voetpad treden van hout of steen, met een afschot naar buiten wordt getoetst.
  • Een talud heeft volgens de FAO een helling van één op één of flauwer nodig om begroeid te raken. Boven 40 graden is begroeien lastig. Breek een talud van 6 meter of hoger met een greppel of een berm.
  • Maak van levende takken lage hekjes op de hoogtelijn: staken op 50 cm, rijen op 1,2 meter, in een geul van 20 cm breed en 25 cm diep (FAO).
  • Herstel keermuurtjes op tijd. Een hoge keermuur is een vak (12.03 Muren en draagconstructies).
  • Na een natuurbrand spoelt kale grond extra snel weg wordt getoetst: leg takken op de hoogtelijn.

Droogdalen en snelle beken

In Zuid-Limburg kan een droogdal of holle weg na een stortbui in korte tijd een stroom van water en modder worden, en een beek kan snel buiten zijn oevers treden, ook als er bij jou weinig regen valt wordt getoetst. Een buis raakt dan vol modder en takken wordt getoetst. Leg er dus geen, maar laat het water over de weg gaan.

  • Maak een doorwaadbare plaats: een verharde drempel van grote stenen of beton, die mag onderlopen. De FAO noemt dit de geschikte oplossing bij plotselinge afvoerpieken en veel meegevoerd puin.
  • Laat de weg aan beide kanten oplopen, zodat het water niet langs de weg wegloopt.
  • Zet een peilpaal met merktekens, zodat je de diepte ziet.
  • Stop als er water stroomt. Volgens de Amerikaanse weerdienst werpt 15 cm snel stromend water een volwassene omver, voert 30 cm de meeste auto's mee en 60 cm ook grote wagens. De weg kan onder het water zijn weggeslagen.
  • Wacht tot er geen water meer stroomt, ook als dat een dag kost. Controleer dan pas de bodem te voet, met iemand erbij: de weg kan zijn weggeslagen wordt getoetst. Bouw nooit in zo'n geul (12.01 Bouwprincipes) en stort er geen puin in: dat wordt een dam die later breekt.

Onderhoud

De FAO noemt geen vast aantal dagen, maar wel wat er moet gebeuren.

  • Loop de route na elke stortbui en voor de herfst (12.09 Onderhoud plannen). Houd neerslag bij (16.02 Waarnemen en meten).
  • Maak duikers met de hand schoon, alleen als er geen water voor staat of in stroomt. Houd de beek 30 meter stroomopwaarts vrij van takken en drijfhout. Verstopt hij vaak, zet er dan een rooster voor.
  • Markeer duikers met een paal, en schraap greppels alleen in de bodem. Graaf de voet van een talud niet weg.
  • Trek bij herstel materiaal van de berm naar het midden en verdeel het op bolling. Vul kuilen vroeg.

Een stuk weg herstellen met een groep

Reken eerst, dan weet iedereen wat er komt. Honderd meter weg van 3 meter breed en 15 cm dik is 45 kubieke meter steen. Dat is ongeveer 75 ton wordt getoetst, of 750 kruiwagens van 60 liter. Een pad van 1,2 meter kost daarvan 40 procent.

  1. Dag ervoor. Loop de route. Spreek af wie gereedschap, eten en water meeneemt, en wie de leiding heeft (15.02 Taken verdelen).
  2. Eerst het water. Eén ploeg begint met greppels en dwarsgeulen. Dat werkt meteen, ook als de rest later komt.
  3. Dan de steen. Maak ploegen: breken, laden, rijden, stampen. Wissel elk uur wordt getoetst (VK.K02 Tillen en dragen zonder je rug te slopen).
  4. Werk stuk voor stuk af. Beter tien meter af dan honderd meter half.
  5. Controleer. Giet een emmer water op het wegdek en kijk waar hij heen gaat. Werk bij hitte vroeg en stop voor de middag (01.13 Onderkoeling en oververhitting). Houd bij wie wat deed (15.06 Ruil en samenwerking), en geef elk huishouden een stuk om bij te houden.

Zo weet je dat het werkt

  • Een uur na de regen staan er geen plassen op het wegdek wordt getoetst.
  • Een emmer water loopt binnen enkele seconden naar de rand wordt getoetst.
  • Greppels stromen en lopen niet over.
  • Duikers zijn na een bui open, en aan de uitlaat is geen gat ontstaan.
  • Een volle kar laat geen sporen achter die dieper zijn dan een paar centimeter wordt getoetst.

Zo weet je dat het misgaat

  • Er loopt water over het wegdek: de greppel of de duiker zit dicht. Wacht tot het water zakt, maak dan de afvoer vrij, en herstel daarna de weg.
  • Er ontstaat een geul in de lengte: de dwarsgeulen staan te ver uit elkaar. Zet er een tussen.
  • Karrensporen worden diep: de grond eronder is nat. Maak een greppel, houd zwaar verkeer weg en leg meer fundering.
  • Water komt onder de duiker door: de aanvulling spoelt uit. Graaf hem op en leg hem opnieuw met een dichte laag kleiige grond aan de instroom wordt getoetst.
  • Bij de uitlaat ontstaat een gat: bescherm met stenen of takken voordat het gat de weg bereikt.
  • Steen zakt weg in klei of veen: stop met storten en leg eerst takken of zeil.
  • Het talud scheurt of zakt: blijf eronder weg en leid water erboven weg.

Gevaar · Stromend water Ga niet door water dat stroomt, niet met een kar en niet te voet. Een weg onder water kan weg zijn.

  • Bouw of herstel niets in een droogdal, geul of beekbedding als er een bui dreigt, ook niet ver stroomopwaarts.
  • Een verstopte duiker kan je aanzuigen. In Australië werd een werknemer die een verstopte buis van 300 mm wilde vrijmaken erin gezogen en verdronk hij (SafeWork NSW). Steek geen hand of voet in de instroom; wacht tot het water weg is.
  • Is er echt geen andere weg, lees dan VK.E03 Een rivier veilig oversteken en 14.16 Veilig op en in het water.

Gevaar · Graven en puin Een sleuf kan zonder waarschuwing instorten. Graaf nooit alleen en stut vanaf een meter diep (12.02 Funderingen begrijpen).

  • Golfplaat, oude buizen en plaatmateriaal kunnen asbest zijn. Breek en stort dit niet.
  • Zoek voor het graven naar leidingen en kabels.

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1SteenslagPuin dat je met de hand breekt, grind uit een beekoever buiten de bedding, kapot metselwerk
2Fijn grindGrof zand met wat kleiige grond
3BetonbuisStalen vaten zonder bodem, een gemetselde koker, een holle stam; alles minder duurzaam
4WaterpasEen doorzichtige slang met water, of een fles half gevuld op een lat
5StamperEen paal met een stuk plaat, of een blok hout met handvatten
6KruiwagenEen draagberrie met twee mensen, zakken op een slee

Achtergrond

Gewicht spreidt zich naar beneden uit als een kegel: hoe dikker de stenen laag, hoe minder druk op de grond eronder wordt getoetst. Hoekige stukken klemmen achter elkaar, ronde stenen rollen weg. Wie water steeds op korte afstand weghaalt, houdt elke stroom klein. Daarom helpen veel kleine dwarsgeulen meer dan één grote greppel. Bewijs: water wegleiden gaat voor verharden B (FAO, jarenlange wegenbouw). Dwarshelling, greppelhelling en duikerregels B (FAO, gemaakt voor boswegen en met grotere machines). Gevaar bij verstopte buizen B (arbeidsinspectie, één ongeval). Afstanden tussen dwarsafvoeren C (FAO-tabel uit 1967, Noord-Amerika, niet getoetst voor Nederland). Doorwaadbare plaats bij plotselinge piekafvoer B. Grenzen voor stromend water B (Amerikaanse weerdienst, afgeronde waarden). Laagdiktes en breedtes C. Takkenmat op veen C. Rekenvoorbeeld voor de groep C.

Volgende niveau

Leg een eerste duiker en een doorwaadbare plaats aan, en bouw een kleine brug waar een duiker niet past (12.07 Bruggen begrijpen). Maak een wegenplan met alle duikers en dips (12.09 Onderhoud plannen).

Controlelijst

  • Ik kijk bij regen waar het water heen gaat, voordat ik iets herstel.
  • Ik maak eerst de afvoer vrij en vul pas daarna kuilen.
  • Ik gebruik steenslag, geen aarde, voor de fundering.
  • Ik geef een pad ongeveer 4 cm afschot per meter.
  • Ik leg dwarsgeulen onder een hoek en op korte afstanden op hellingen.
  • Ik leg in een geul die snel volloopt geen buis, maar een doorwaadbare plaats.
  • Ik ga nooit door stromend water.
  • Ik loop de route na elke stortbui en maak duikers schoon.

Verantwoording

Open in de app en bewaar offline