Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Chemie & basisstoffen
  4. Leer looien

Hoofdstuk · Chemie & basisstoffen

Leer looien

Van rauwe huid naar leer met zout, kalk, eikenschors en geduld

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · Miltvuur en andere ziekten uit huiden Een huid kan sporen van miltvuur (antrax) dragen; ze overleven het drogen van de huid. De CDC beschrijft een trommelmaker die longmiltvuur kreeg door het droog afschrapen van ongelooide, gedroogde huiden in een ongeventileerde ruimte, en meldt dat 153 van de 236 Amerikaanse miltvuurgevallen tussen 1955 en 1999 (65 procent) samenhingen met het industrieel verwerken van huid en haar.

  • Looi alleen huiden van dieren die je zelf gezond zag en zelf slachtte. Nooit een huid van een dier dat plotseling dood ging, vooral niet met donker bloed uit neus, bek of anus: niet aanraken, niet villen, dier diep begraven of verbranden (03.09) wordt getoetst.
  • Werk nat en buiten; schraap of klop nooit een droge huid, want dan vliegt het stof in je longen. De CDC noemt handschoenen, aparte schoenen, handen wassen en werkkleding apart wassen (VK.B18).
  • Een zweer met een zwarte korst op hand of arm, koorts of benauwdheid na huidwerk: lees 07.07 Infecties en antibiotica en het plan dat de groep met een arts heeft.
  • Ook andere ziekten gaan over via huiden en bloed: draag handschoenen bij elke wond aan je handen.

Gevaar · Kalk, loog en zuur Kalkwater en asloog verbranden ogen en huid; zuur bijt. Bril, handschoenen en schort, kalk altijd in het water en niet andersom, en een emmer schoon water naast je om meteen te spoelen (11.01 Veilig werken met stoffen). Kinderen en dieren weg van de vaten; dek ze af.

Aan de rand van een eikenbos roert een man met bril en handschoenen in een houten kuip bruin schorswater, terwijl een oudere vrouw vet in een leren riem wrijft.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

Schoenzolen, riemen, tuig voor een ezel, een schede voor je mes en een strop voor je scheermes slijten, en er komt geen nieuwe aanvoer. Elke geit, elk schaap en elk konijn dat je slacht (03.09 Slachten, uitbenen en delen) levert een huid die binnen een dag begint te rotten als je niets doet, en die met zout, kalk en schors in weken tot maanden leer wordt. Looien is traag, stinkt en vraagt geduld, maar het is een van de weinige manieren om na jaren nog iets aan je voeten te hebben.

Als er nog hulp is Huiden en slachtafval vallen in gewone tijden onder de regels voor dierlijke bijproducten: lever ze bij de slager of de ophaaldienst in en laat een looierij het werk doen wordt getoetst. Zoek nu een hobby-looier of een leerbewerker op en kijk één keer mee; dat scheelt later een verprutste huid.

Eerst doen

  1. Vil de huid schoon en zonder sneden, en laat hem een uur afkoelen met de vleeskant naar boven (03.10 Het hele dier benutten).
  2. Vlees de huid: schraap al het vlees en vet weg met een bot mes of een lepel over een ronde balk.
  3. Zout de huid de eerste dag nog: grof zout over de hele vleeskant, ongeveer een derde tot de helft van het gewicht van de huid, en vouw hem vleeskant op vleeskant.
  4. Kies wat je wilt maken. Zolen en riemen: plantaardig looien met schors. Zachte kleding, wanten en voering: hersenlooien en roken.
  5. Zet de looiplek ver van huis, keuken en waterbron, met een afvoer naar een kuil en niet naar de sloot (02.09 Afvalwater scheiden).
  6. Houd een logboek per huid: datum, dier, zout, kalkdagen, schorsbaden en de snijtest.

Wat je nodig hebt

  • Een ronde balk van 15 tot 20 cm dik, schuin op een bok, om de huid overheen te leggen bij het vlezen en ontharen.
  • Een bot vleesmes of een oude zeis zonder snede, een lepel, een stuk leisteen of een stompe schraper; geen scherp mes, dat snijdt door de huid.
  • Grof zout, ongeveer een derde tot de helft van het huidgewicht per huid (04.07 Zouten en pekelen, 11.06 Zout winnen).
  • Gebluste kalk (11.07 Kalk branden en blussen) of een grote hoeveelheid houtas (11.03 Loog uit houtas) voor het ontharen.
  • Twee of drie vaten of kuipen van 100 tot 200 liter, van hout of kunststof, nooit van ijzer: ijzer kleurt looiwater en leer zwart wordt getoetst.
  • Looistof: gemalen eikenschors, schors van wilg, spar of lariks, eikeldoppen of het uitloogwater van eikels (VK.D02 Eikels uitlogen en tot meel maken).
  • Een hamer of een vijzel om schors te breken, en een zeef.
  • Vet voor het afwerken: talg, reuzel, visolie of het leervet van talg en bijenwas (04.15 Vet uitsmelten).
  • Dikke rubberhandschoenen, een schort, een bril en veel schoon water; lees eerst 11.01 Veilig werken met stoffen.
  • Een rookkast of een ton met een deksel voor het roken van zacht leer (04.08 Roken).

Werkwijze

Welke huid wordt wat

№DierDikteGeschikt voor
1Rund, paard, ezeldik, zwaarZolen, tuig, riemen; looien duurt maanden
2Schaap, geitdun tot middelBovenleer, tassen, zachte riemen, bontvel met wol
3Varkenmiddel, vol poriënRiemen, scheden; het vet eruit krijgen is lastig wordt getoetst
4Konijn, haasheel dunWanten, voering, mutsen; scheurt snel
5Hond, kat, ree, wild zwijnwisselendAls geit of varken; wild alleen van dieren die je gezond zag

Een huid met veel messneden, maden of kale plekken is geen leer waard; maak er huidlijm van (VK.H10 Huidlijm koken) of gebruik hem als rauwe huid (03.10).

Bewaren: zouten of drogen

Een rauwe huid is eiwit en water, en bacteriën beginnen meteen. Het eerste teken van bederf is "haarslip": het haar laat los op de dunne delen, de buik en de flanken. Volgens de FAO is haarslip al een lichte vorm van rotting, en zo'n huid wordt slecht leer. Daarom zout je dezelfde dag.

  1. Leg de gevleesde, afgekoelde huid plat met de vleeskant naar boven.
  2. Strooi grof zout over de hele vleeskant en wrijf het in de randen en de pootgaten. Industriële richtlijnen noemen 35 tot 40 procent zout op het gewicht van een verse runderhuid en ongeveer 50 procent voor kleine huiden; 03.10 rekent met een kilo per kilo huid wordt getoetst. Te weinig zout is erger dan te veel.
  3. Vouw de huid vleeskant op vleeskant, of stapel huiden vleeskant op vleeskant met zout ertussen, op een schuin vlak zodat de pekel wegloopt.
  4. Na ongeveer vijf dagen: open de stapel, schud het natte zout eraf, zout opnieuw en stapel nog vijf dagen. Gezouten huiden blijven zo twee tot drie maanden goed, in de hitte korter.
  5. Geen zout: span de huid strak in een raam of hang hem aan een lijn in de schaduw en de wind, vleeskant naar buiten, nooit op de grond en nooit in de zon. De FAO waarschuwt dat een huid die op de grond droogt van buiten bakt terwijl het midden nog nat is en rot. Een gedroogde huid heeft bij het looien twee tot drie dagen weken nodig in vaak ververst koel water. Hitte vernielt een rauwe huid. Volgens de FAO krimpt een natte rauwe huid onherstelbaar bij 60 graden, al na twee of drie minuten, en ook bij uren boven 40 graden. Houd huiden dus uit de zon en weg van vuur.

Weken en vlezen

Leg de huid in schoon koel water tot hij overal slap en soepel is: een gezouten huid een nacht, een gedroogde huid twee tot drie dagen, met drie of vier keer vers water. Leg hem dan over de balk, haarkant onder, en schraap met een botte rand al het vlees, vet en vlies weg, van het midden naar de randen. Schraap met je gewicht, niet met de punt. Werk koel en snel: een natte huid in de warmte rot in een dag.

Ontharen met kalk of houtas

Kalkwater maakt het haar los en zwelt de huid, zodat de looistof er later in kan. Lees eerst 11.01 Veilig werken met stoffen: kalkwater is bijtend voor ogen en huid.

  1. Vul een vat met water en roer er gebluste kalk door: ongeveer 25 tot 30 gram kalk per liter, of ongeveer een kwart tot een derde van het gewicht van de natte huid wordt getoetst. De FAO gebruikt in India 25 tot 30 procent gebluste kalk op het gewicht van de geweekte huiden.
  2. Leg de huid erin met de haarkant naar boven, helemaal onder water, en verzwaar hem met een plank en stenen.
  3. Haal de huid elke dag een keer uit het vat, leg hem even op de rand, roer de kalk op en leg hem terug.
  4. Test vanaf dag vier: wrijf met je duim tegen de haarrichting in. Laat het haar in plukken los, dan is hij klaar. Dunne huiden van geit en schaap na ongeveer een week; dikke runderhuiden acht tot tien dagen; in de hitte korter, want dan verliest de huid te veel stof.
  5. Leg de huid over de balk en duw het haar eraf met de botte schraper, altijd met de haarrichting mee. Schraap daarna de vleeskant nog een keer na.
  6. Spoel de kalk eruit: twee dagen in stromend water of in vaak ververst water, en daarna een bad in zwak zuur water, bijvoorbeeld een deel azijn op tien delen water (11.05 Azijn maken) wordt getoetst. Een huid met kalk erin looit slecht en wordt bros. Looierijen zoomen het zuur precies af; thuis kun je dat alleen met veel spoelen en de snijtest. Geen kalk: de FAO beschrijft ontharen met houtas in veel water; het duurt enkele dagen, afhankelijk van het weer en het hout. Smeer nooit mest op een huid en begraaf hem niet om het haar los te maken: dat is rotting, geen looiproces, en de FAO wijst die methode af. Wil je het haar of de wol erop houden, voor een vacht, sla het kalkbad dan over en ga na het vlezen rechtstreeks naar het hersenlooien.

Plantaardig looien met schors

Looistof (tannine) zit in schors, hout, bladeren en vruchten. Tannine bindt aan het eiwit van de huid, zodat de huid niet meer rot, niet meer krimpt bij nat worden en stevig blijft. Looistof verzamelen.

  • Eikenschors: in Nederland eeuwenlang de basis. Eikenhakhout werd vanaf de zeventiende eeuw aangeplant voor de looierijen, "eekschillers" schilden de jonge stammen en molens maalden de schors tot "run". Schil in het voorjaar, als de sap stroomt en de schors loslaat wordt getoetst. Eikenschors bevat ongeveer 8 tot 13 procent tannine; de buitenste schors van oude bomen veel minder wordt getoetst.
  • Eikeldoppen en eikels: doppen van bepaalde eiken (valonia) worden volgens de FAO op grote schaal gebruikt voor zool- en tuigleer. Die eik groeit hier niet; hoe sterk de doppen van onze eiken zijn, weet ik niet wordt getoetst. Het bruine uitloogwater van eikels (VK.D02) is een zwak looibad; gooi het niet weg wordt getoetst.
  • Verder bruikbaar: schors van wilg, spar en lariks, en tamme kastanje (hout) wordt getoetst. Droog de schors in de schaduw en breek hem fijn met hamer of vijzel vlak voor gebruik. Giet er zacht, koud of lauw water op en laat het een paar dagen trekken; kokend water haalt meer uit de schors maar maakt het bad scherper wordt getoetst. Een sterk bad is diep roodbruin en smaakt wrang. Zwak beginnen, sterk eindigen. Dit is de regel die alles bepaalt. Een huid die meteen in een sterk bad gaat, looit alleen van buiten: de FAO noemt dat "dood looien", de buitenkant wordt hard en dicht, het midden blijft rauw, en zulk leer rot zodra het nat wordt. Daarom:
  1. Begin in een oud, uitgeput bad of in een vers bad dat je drie tot vier keer verdunt. Beweeg de huid de eerste uren om de tien minuten en de eerste dagen twee keer per dag, zodat hij overal even veel opneemt.
  2. Maak het bad elke twee tot drie dagen sterker: gooi een deel weg, voeg vers trekwater toe, of strooi gemalen schors tussen de huiden.
  3. Leg na een tot twee weken de huiden plat op elkaar, vleeskant tegen vleeskant, met een handvol schors tussen elke laag, helemaal onder sterk bad. De FAO beschrijft dit als "layers": dikke huiden blijven er vier tot vijf weken in.
  4. Vernieuw bad en schors tot de snijtest goed is. Hoeveel schors je nodig hebt: de FAO rekent in India met 15 tot 17 procent zuivere tannine op het gewicht van de gevleesde huid, de helft in de eerste en de helft in de tweede fase. Bij eikenschors met 10 procent tannine betekent dat ruwweg anderhalf tot twee kilo schors per kilo natte huid wordt getoetst, verdeeld over alle baden. Hoe lang. Dun geiten- of schapenleer: drie tot zes weken wordt getoetst. Runderhuiden voor zolen: de FAO noemt voor zoolleer bijna vijf maanden in totaal en niet minder dan twaalf weken, en de laatste traditionele eikenschorslooierij van Groot-Brittannië laat huiden ongeveer twaalf maanden in de kuipen. De FAO zegt het hard: zoolleer zonder de juiste vaten, voldoende schors en geduld wordt van buiten mooi en van binnen rauw. De zaklooierij. Heb je geen grote vaten: de FAO beschrijft "bag tanning" uit India. De huid wordt met de haarkant naar buiten tot een zak genaaid, gevuld met schors en looiwater, en aan een balk gehangen; het looiwater trekt van binnen naar buiten door de huid. Dat spaart vaten, maar het leer is minder gelijkmatig.

De snijtest

Snijd aan een rand of een pootstuk een reepje af en kijk naar de doorsnede. Leer dat door en door gelooid is, is van rand tot rand gelijkmatig bruin. Een lichte of witte streep in het midden betekent: nog rauw, terug in het bad wordt getoetst. Doe deze test elke week; het is de enige meting die je hebt.

Spoelen, drogen en vetten

  1. Spoel het gelooide leer een dag in schoon water en laat het uitlekken.
  2. Strijk het op een plank met een stompe rand of een glad stuk hout glad, van het midden naar buiten, om water en rimpels eruit te werken.
  3. Droog het langzaam in de schaduw, hangend of plat, nooit bij de kachel. Snel drogen maakt het hard en bros.
  4. Vet het leer als het nog iets vochtig is. De FAO noemt als smeervet voor zwaar leer ("dubbin") een deel visolie op twee delen talg, warm ingewreven aan beide kanten en 24 tot 48 uur laten intrekken. Zonder visolie: het leervet van gelijke delen talg en bijenwas uit 04.15 Vet uitsmelten, of talg met een scheut lijnolie wordt getoetst. Wrijf het in met een doek of een stuk schapenvacht en poets het na.
  5. Werk het leer soepel: trek het over een stompe rand, buig en rek het, dagen achtereen bij zachter leer. Zoolleer laat je juist stijf en klop je plat met een houten hamer wordt getoetst.

Hersenlooien en roken voor zacht leer

Dit is de oude methode voor kleding, wanten en voering: dun, zacht en ademend leer, geen zolen. De FAO noemt vet- of olielooien een van de oudste vormen, met hersenen, beenmerg en vet die in de huid worden gewreven, gevolgd door kneden, rekken en trappen. Het vet en de emulgator in de hersenen (lecithine) trekken tussen de vezels en houden ze los; de rook maakt dat daarna blijvend wordt getoetst.

  1. Werk met een gevleesde, onthaarde huid (of met haar, voor een vacht) die nog nat is. Schraap van de haarkant ook de bovenste huidlaag weg tot hij overal gelijk is wordt getoetst.
  2. Prak de hersenen van het dier fijn in een liter warm water tot een melkachtige brij. Onder looiers gaat het gezegde dat elk dier genoeg hersenen heeft voor zijn eigen huid; het is geen gemeten regel wordt getoetst. Geen hersenen: een emulsie van eidooier en vet, of zeep en olie wordt getoetst.
  3. Wrijf de brij in beide kanten van de huid en laat hem een nacht intrekken; herhaal een of twee keer. Elke droge plek blokkeert de brij, dus wrijf ook de randen.
  4. Nu het zware werk: rek, trek en wrijf de huid tijdens het drogen onophoudelijk over een stompe rand of een gespannen kabel, uren achter elkaar, tot hij droog, wit en zacht is. Stop je te vroeg, dan droogt hij stijf; dan opnieuw natmaken en opnieuw.
  5. Rook de huid: naai hem tot een zak of hang hem in een ton boven een smeulend vuurtje van rot hout, dennenkegels of zaagsel, koude rook zonder vlam (04.08 Roken). Rook tot beide kanten goudbruin zijn, meestal een uur of langer per kant wordt getoetst. De rook bevat stoffen (aldehyden) die de vezels vastzetten, zodat het leer na nat worden weer zacht droogt in plaats van hard wordt getoetst.

Wat je ervan maakt

  • Zolen en hielstukken van dik, stijf schorsleer (VK.G05 Een schoenzool herstellen, 05.08 Kleding en schoenen herstellen). Geen dik leer: zolen van een autoband (VK.G06 Sandalen maken van een autoband).
  • Riemen, draagbanden, scheden, een strop voor het scheermes (09.11 Slijpen en scherpen) en tuig voor ezel of paard (13.16 Werkdieren: paard, ezel en hond).
  • Naai leer met pees of waxdraad door voorgeprikte gaten (03.10, 09.07 Touw en vezels); snijd met een scherp mes op een plank (VK.H06 Veilig snijden met een mes).
  • Zacht hersenleer voor wanten, voering, mutsen en kleding; konijnenvellen voor voering.
  • Snippers, poten en koppen gaan in de lijmpot (VK.H10 Huidlijm koken).

Geur, vliegen en hygiëne

Looien stinkt, vooral het weekwater en het kalkbad. Zet de plek benedenwinds, minstens 50 meter van huis en waterbron wordt getoetst. Dek vaten af tegen vliegen, die eieren leggen op elke natte huid (06.11 Luizen, vlooien, muggen en ratten). Was je handen en je kleding na elk contact; vlees- en huidresten gaan de grond in, diep en met kalk erover, of in de lijmpot. Afgewerkt kalkwater giet je verspreid op kale grond, nooit in sloot of put: het is sterk basisch. Afgewerkt looiwater is bruin en zuur maar niet giftig; laat het in een kuil wegzakken.

Waarom chroomlooien niet kan

Chroomlooien is wereldwijd de meest gebruikte methode: snel en soepel. Het gebruikt basisch chroomsulfaat, een fabriekschemicalie, en vooraf een pekelbad met zwavelzuur en zout, en daarna een precieze stap waarbij de zuurgraad met alkali wordt verhoogd om het chroom vast te zetten. Je kunt chroomsulfaat niet maken, en zonder meetapparatuur loopt de zuurgraad mis. Het afval bevat chroom dat je niet kwijt kunt, en afval met chroom dat verbrand wordt kan het veel giftiger zeswaardige chroom vormen. Oud chroomleer kun je wel opnieuw gebruiken: knip het uit jassen, banken en autostoelen (DK.01), maar verbrand het nooit.

Zo weet je dat het werkt

  • De snijtest laat van rand tot rand dezelfde bruine kleur zien, zonder lichte streep.
  • Nat gemaakt leer krimpt niet, wordt niet slijmerig en droogt weer op zonder hard of bros te worden.
  • Het leer buigt zonder te kraken en de nerfkant scheurt niet bij het buigen.
  • Hersenleer droogt na een regenbui weer zacht op, zonder opnieuw rekken.
  • Het ruikt naar schors of rook, niet naar rotting.

Zo weet je dat het misgaat

  • Het haar laat al los op de buik vóór het kalkbad, of de huid ruikt zoet en rot: bederf. Zout meteen, of maak er lijm van en loog de kuip uit.
  • De huid in het looibad wordt van buiten hard en donker terwijl het midden wit blijft: dood gelooid door een te sterk bad. Verdun het bad en wacht; is de buitenkant al dicht, dan wordt het nooit zoolleer en gebruik je het voor stijve, droge dingen.
  • Het leer wordt na het drogen bros en kraakt bij buigen: kalk niet uitgespoeld, of te snel en te warm gedroogd. Opnieuw weken, spoelen, langzaam drogen en vetten.
  • Zwarte vlekken of zwart water: ijzer in het vat, in het gereedschap of in het water. Alleen hout, kunststof of roestvrij gebruiken.
  • Het leer wordt slijmerig en ruikt zuur in het bad: de bacteriën winnen van een te zwak bad. Maak het bad sterker en beweeg de huiden vaker.
  • Hersenleer droogt stijf op: te vroeg gestopt met rekken of niet overal brij. Natmaken, opnieuw inwrijven, opnieuw rekken, en pas roken als het overal zacht is.

Gevaar · Miltvuur en andere ziekten uit huiden Een huid kan sporen van miltvuur (antrax) dragen; ze overleven het drogen van de huid. De CDC beschrijft een trommelmaker die longmiltvuur kreeg door het droog afschrapen van ongelooide, gedroogde huiden in een ongeventileerde ruimte, en meldt dat 153 van de 236 Amerikaanse miltvuurgevallen tussen 1955 en 1999 (65 procent) samenhingen met het industrieel verwerken van huid en haar.

  • Looi alleen huiden van dieren die je zelf gezond zag en zelf slachtte. Nooit een huid van een dier dat plotseling dood ging, vooral niet met donker bloed uit neus, bek of anus: niet aanraken, niet villen, dier diep begraven of verbranden (03.09) wordt getoetst.
  • Werk nat en buiten; schraap of klop nooit een droge huid, want dan vliegt het stof in je longen. De CDC noemt handschoenen, aparte schoenen, handen wassen en werkkleding apart wassen (VK.B18).
  • Een zweer met een zwarte korst op hand of arm, koorts of benauwdheid na huidwerk: lees 07.07 Infecties en antibiotica en het plan dat de groep met een arts heeft.
  • Ook andere ziekten gaan over via huiden en bloed: draag handschoenen bij elke wond aan je handen.

Gevaar · Kalk, loog en zuur Kalkwater en asloog verbranden ogen en huid; zuur bijt. Bril, handschoenen en schort, kalk altijd in het water en niet andersom, en een emmer schoon water naast je om meteen te spoelen (11.01 Veilig werken met stoffen). Kinderen en dieren weg van de vaten; dek ze af.

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1ZoutDrogen in de schaduw op een raam, vleeskant naar buiten, meteen na het vlezen; bij warm of vochtig weer lukt dit vaak niet
2Gebluste kalkHoutas in veel water (maten ontbreken, dus testen met de duim), of vacht laten zitten en hersenlooien
3EikenschorsSchors van wilg, spar of lariks, eikeldoppen, uitloogwater van eikels; test elk bad met de snijtest
4Grote vatenDe zaklooierij: de huid zelf tot zak genaaid, gevuld met schors en water
5HersenenEidooier met vet, of zeep met olie, als emulsie; minder zeker wordt getoetst
6Visolie of talgReuzel, olijfolie of oud frituurvet, warm ingewreven; ranzig vet stinkt maar werkt
7Een rookkastEen ton of een kuil met een deksel en een rookkanaal van een smeulend vuur
8Tijd en geduldDan geen zoolleer. Maak rauwe huid (03.10) of sandalen van een autoband (VK.G06)

Achtergrond

Een huid bestaat uit collageenvezels die in elkaar gevlochten zitten. Rauw zijn ze voedsel voor bacteriën en kleven ze bij het drogen aan elkaar, zodat de huid hard als hout wordt. Zout trekt het water uit de huid en de bacteriën krijgen geen kans; drogen doet hetzelfde, maar langzamer en minder zeker. Kalk maakt de huid basisch: het haar laat los, vetten verzepen en de vezels zwellen uit elkaar, zodat looistof erin kan. Tannine bindt zich aan het collageen en legt bruggen tussen de vezels; daardoor rot het leer niet meer en krimpt het niet meer in heet water. Een sterk bad legt die bruggen te snel aan de buitenkant en sluit de huid af; daarom begint elke looier zwak. Vet smeert de vezels zodat ze langs elkaar kunnen glijden: soepel leer. Bij hersenlooien vervangt de vet-emulsie de tannine, en de rook zet dat vast. Bewijs: zouten en schaduwdrogen als bewaarmethode A (FAO, industrie-richtlijnen). Ontharen met kalk en de duimtest B (FAO). Zwak beginnen en sterker worden, en de duur van maanden voor zoolleer B (FAO, praktijk van bestaande eikenschorslooierijen). Tanninegehalten van schors C (oudere naslagwerken; sterk wisselend per boom en seizoen). Hersenlooien en roken C (praktijkkennis van looiers, weinig onderzoek). Het verband tussen miltvuur en ongelooide huiden A (CDC). Houtas als vervanging van kalk C (FAO noemt het, zonder maten).

Volgende niveau

Op dit niveau bouw je een vaste looierij: een beek of pomp met afvoer, drie ingegraven kuipen zoals de oude Brabantse looierijen hadden, een schorsmolen op spierkracht of een waterrad, en een eigen eikenhakhout dat je om de acht tot tien jaar oogst wordt getoetst. Leid één persoon op die de snijtest en de baden bijhoudt. Leer het verschil tussen leer voor zolen, voor bovenleer en voor tuig, en leer leer verven met ijzer en looistof (zwart) wordt getoetst. Houd vachten en bont apart van leer, want wol en haar verdragen geen kalk.

Controlelijst

  • Ik zout of droog elke huid dezelfde dag en zie haarslip als een teken van bederf.
  • Ik vlees en onthaar over een balk met een botte rand, nooit met een scherp mes.
  • Ik werk met kalk en loog met bril, handschoenen en een emmer spoelwater naast me.
  • Ik begin met een zwak looibad en maak het stap voor stap sterker.
  • Ik doe elke week de snijtest en noem leer pas klaar als de doorsnede overal bruin is.
  • Ik droog leer langzaam in de schaduw en vet het als het nog iets vochtig is.
  • Ik looi alleen huiden van dieren die ik gezond zag en schraap nooit een droge huid.
  • Ik gebruik nooit ijzeren vaten en verbrand nooit chroomleer.

Verantwoording

  • FAO Agricultural Development Paper No. 68: Rural Tanning Techniques (scan, 1974-uitgave): haarslip als lichte rotting en gronddrogen als slechtste bewaring; krimptemperatuur van rauwe huid 60 graden, schade boven 40 graden bij langdurig nat; weken van gedroogde huiden twee tot drie dagen; kalkbaden 25 tot 30 procent gebluste kalk op het geweekte huidgewicht, acht tot tien dagen, dagelijks ophalen en roeren, duimtest, korter in hete streken; ontharen met houtas; afwijzing van mest en begraven; valonia uit eikeldoppen voor zoolleer; "dood looien" door te sterke baden; suspenders, handlers en layers; zoolleer bijna vijf maanden en niet minder dan twaalf weken; 15 tot 17 procent tannine op het gevleesde huidgewicht; zaklooierij; dubbin van een deel visolie op twee delen talg; olielooien met hersenen en merg als oudste methode; chroomlooien na pekelen met zuur en zout en vastzetten met alkali.
  • UNIDO, project US/RAF/88/100: Salting of hides and skins (T. J. Devassy, scan): nat zouten met 35 tot 40 procent zout op het groene gewicht van huiden en ongeveer 50 procent voor kleine huiden, stapelen, na ongeveer vijf dagen herstapelen en opnieuw zouten, twee tot drie maanden houdbaar, drogen in de schaduw aan draad of lat.
  • CDC MMWR: Inhalation Anthrax Associated with Dried Animal Hides, Pennsylvania and New York City, 2006: longmiltvuur bij een trommelmaker na het droog afschrapen van ongelooide huiden; sporen overleven drogen; alleen gelooide of behandelde huiden, ventilatie, handschoenen, aparte schoenen, geen droog vegen of kloppen, kleding apart wassen, melden van huidzweren en benauwdheid.
  • CDC Health Alert over miltvuur en dierenhuiden (archief): van 236 miltvuurgevallen in de VS tussen 1955 en 1999 hingen 153 samen met het industrieel verwerken van huiden en haar; werk alleen met gelooide huiden.
  • Northern Woodlands: Drum from a hide: kalkbad van een kop gebluste kalk per gallon water (ongeveer 25 tot 30 gram per liter), een week, haar laat in plukken los, spoelen in stromend water twee dagen, handschoenen.
  • BNNVARA Vroege Vogels: Eikenbomen met droge voeten: eikenhakhout vanaf de zeventiende eeuw aangeplant voor de looierijen, eekschillers, schorsmolens en run, einde van de eekschillerij na 1900.
  • Rijksmonumentenregister: leerlooierij Veerseweg 52, Oosterhout: ingegraven kuipen van ongeveer twee bij twee meter waarin huiden plat en laag om laag met eikenschors werden gelegd.
  • Ernest Journal: Last of the oak tanners (J & FJ Baker, Colyton): drie maanden in twaalf steeds sterkere baden, daarna negen maanden tussen eikenschors, in totaal ongeveer twaalf maanden voor zoolleer.
  • Textbook of Materia Medica: Oak Bark (Cortex Quercus): eikenschors 8 tot 13 procent tannine (oud naslagwerk).
  • Vore Buffalo Jump Foundation: The ancient and arduous art of brain tanning: hersenweefsel is vet en rijk aan lecithine, een emulgator die de vetten aan de huid bindt; de biochemie is niet volledig begrepen.
  • Woodland Trust: Edible acorns: eikels bevatten tannine, het uitloogwater kleurt bruin.
  • Leather International: open brief over chroomlooien en Blacksmith Institute: Tannery operations: basisch chroomsulfaat als looistof, driewaardig chroom in afval en slib, vorming van zeswaardig chroom bij verbranden van chroomhoudend afval (industrie en milieuorganisatie spreken elkaar deels tegen). Alleen als zoekfragment gezien, niet als volledige tekst: het CDC-bericht met de 153 van 236 gevallen (de archiefpagina bleef leeg, dus de vindplaats is onzeker), Ernest Journal, de Materia Medica, Vore Buffalo Jump, Leather International, het Blacksmith Institute en BNNVARA. Het zoekbudget raakte op voordat ik de werking van rook en de wettelijke regels kon nagaan. Niet met een primaire bron onderbouwd en daarom gemarkeerd: de wet op dierlijke bijproducten, ijzer als oorzaak van zwarte vlekken, de omgang met plotseling gestorven dieren, de kilo-per-kilo zoutmaat, de kalkhoeveelheid per liter, het azijnbad na de kalk, het tanninegehalte van eikenschors en de bruikbaarheid van eikel-uitloogwater, de looikracht van eikeldoppen, de schorshoeveelheid per kilo huid, de looiduur van dun leer, de beschrijving van de snijtest, lijnolie in leervet, het kloppen van zoolleer, de hoeveelheid hersenen en de vervangers, de rooktijd en de werking van rook, de afstand van de looiplek, het varkensvet, de omlooptijd van hakhout en het zwart verven van leer. Getoetst door: nog niet.

Open in de app en bewaar offline