Hoofdstuk · Landbouw, dieren & ecosystemen
Werkdieren: paard, ezel en hond
Kracht, vervoer en waakzaamheid op vier poten
Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.
Gevaar · Veilig met grote dieren
- Loop nooit vlak achter een paard of ezel zonder je hand op het dier en je stem te laten horen. Een trap kan doden.
- Wikkel een touw nooit om je hand en bind een dier vast met een knoop die je met één ruk losmaakt.
- Laat een aangespannen dier nooit alleen staan en haal nooit het hoofdstel af zolang het aan de kar vastzit.
- Giftig voor paarden en ezels: taxus (een paar happen zijn dodelijk), jacobskruiskruid, oleander (ook als kuipplant in tuinen) en in de herfst de zaden van esdoorns wordt getoetst. Houd ze uit de weide.
- De eikenprocessierups is levensgevaarlijk voor honden: de haren verbranden tong en bek.

Waarom dit telt
Zonder brandstof is een paard of ezel de sterkste motor die je hebt: hij trekt een kar, ploegt een akker en draagt vracht over paden waar geen fiets komt. Een hond waarschuwt 's nachts, hoedt vee en trekt een lichte kar. Maar een werkdier kost elke dag voer, water en zorg, ook als er geen werk is.
Als er nog hulp is Laat paarden, ezels en honden nu nog inenten tegen tetanus en hondsdolheid en laat de hoeven door een hoefsmid bijwerken. Leer mennen en hoefverzorging bij een manege, menvereniging of hoefsmid zolang dat kan.
Eerst doen
- Breng in kaart welke paarden, pony's, ezels en honden er in je omgeving zijn, wie ze verzorgt en wat ze nodig hebben.
- Regel water: een paard drinkt elke dag een paar emmers, ook als er niets gebeurt.
- Regel voer voor de winter: hooi of stro voor elk dier, droog opgeslagen.
- Verzamel tuig, halsters, touwen, hoefkrabbers, een hoefrasp en dekens uit maneges en stallen.
- Bekijk elke dag elk dier: eet het, drinkt het, mest het, loopt het recht.
- Wijs per dier één vaste verzorger aan. Dieren werken beter met mensen die ze kennen.
Wat je nodig hebt
- Per dier: een halster en touw, een hoefkrabber, een borstel, een emmer of trog
- Voor paard en ezel: weide of hooi, stro, zout, een droge schuilplek met dak
- Voor trekwerk: tuig, een kar met twee of vier wielen, lamoenen (de twee bomen tussen dier en kar) of een zwengel
- Voor de hond: een riem, een halsband of tuigje, voer, een vaste slaapplek
- Een ehbo set voor dieren: zie VK.I04 Eerste hulp voor dieren
Werkwijze
Welk dier waarvoor
| № | Dier | Goed voor | Sterk | Zwak |
|---|---|---|---|---|
| 1 | Trekpaard (Zeeuws of Belgisch trekpaard) | Ploegen, zware kar, boomstammen | Veel kracht, rustig | Veel voer, gevoelig voor hoefziekten |
| 2 | Rijpaard, Gelder, Fries, grote pony | Lichte kar, vervoer, boodschappen | Snel, vaak al getraind | Niet gebouwd voor zwaar trekwerk |
| 3 | Ezel | Pakdier, lichte kar, waterdragen | Zuinig, taai, sterk voor zijn maat, goed in droog heuvelland | Traag, niet waterdicht, wordt snel te dik |
| 4 | Muilezel | Pakdier en kar in bergen | Sterker dan ezel, taaier dan paard | Zeldzaam, eigenwijs |
| 5 | Hond | Waken, hoeden, kleine kar | Waarschuwt, leert snel | Eet vlees, niet voor zware lasten |
Er zijn veel paarden en pony's, maar weinig echte trekpaarden. Ezels en muilezels zijn gemaakt voor droogte en hellingen; op nat land vragen ze extra zorg.
Voer en water per dag
| № | Dier | Water | Ruwvoer | Let op |
|---|---|---|---|---|
| 1 | Paard 500 kg | 25 tot 50 liter, bij hitte en werk tot 80 wordt getoetst | 8 tot 12 kg hooi of 1,5 tot 2 % van het lichaamsgewicht wordt getoetst | Zout 25 tot 50 g wordt getoetst, meer bij zweten |
| 2 | Pony 250 kg | 15 tot 25 liter wordt getoetst | 4 tot 6 kg hooi | Snel te dik op rijk gras |
| 3 | Ezel 200 kg | 10 tot 30 liter wordt getoetst | 3 tot 4 kg, vooral stro met wat hooi wordt getoetst | Nooit veel jong gras of graan |
| 4 | Hond 25 kg | 1 tot 1,5 liter wordt getoetst | 400 tot 700 g voer, vooral vlees en slachtafval wordt getoetst | Geen ui, knoflook, druiven, chocola, gekookte botten |
- Geef ruwvoer verdeeld over de dag. Een paard en ezel zijn gemaakt om 14 tot 16 uur per dag te kauwen; een lege maag geeft maagzweren en koliek wordt getoetst.
- Geef graan alleen aan dieren die zwaar werken, in kleine porties, en verander voer nooit plotseling. Schakel in 10 tot 14 dagen over wordt getoetst.
- Geef water voor het voeren en niet koud direct na zwaar werk; laat een bezweet dier eerst 15 minuten uitstappen.
- Ezels komen uit woestijnen en worden dik en hoefbevangen op Nederlands gras. Zet ze op een kaal stuk of een paddock met stro.
Hoefverzorging
Zonder hoeven geen werk. Krab elke dag de hoeven uit en kijk naar stenen, rotte geur, warmte en scheuren. Zie VK.I02 Hoeven verzorgen.
- Werk de hoeven van paard en ezel elke 6 tot 10 weken bij wordt getoetst. Grote correcties en hoefijzers zijn werk voor een geoefende hoefsmid. Zonder ijzers kan een paard op zachte en gemengde grond prima lopen, als de hoef goed wordt bijgehouden en de overgang geleidelijk gaat.
- Houd de stal en paddock droog. Natte, vuile grond geeft rotstraal: een zwarte, stinkende smurrie in de groeven naast de straal.
- Rijd en ment op asfalt niet langer en sneller dan de hoef kan slijten en aangroeien.
Tuig en aanspannen
Het dier trekt met zijn borst of schouders. Het tuig verdeelt die kracht en verbindt het dier met de kar.
- Borsttuig: een brede riem horizontaal over de borst, onder de luchtpijp en boven het schoudergewricht. Makkelijk te maken en te passen, goed voor lichte karren.
- Haam: een gevulde, stijve kraag om de hals, op maat van het dier. Beter voor zwaar trekwerk, maar moeilijk te maken.
- Zadeltje met buikriem: draagt de lamoenen via de draagogen.
- Broek (broekriem): een riem om de achterhand die de kar remt bij bergaf. Op een tweewielige kar in heuvels is hij verplicht voor de veiligheid.
- Hoofdstel met bit en leidsels: om te sturen en stoppen. Een borsttuig kun je maken van autogordels: sterk, breed en glad. Bekleed de binnenkant met vilt of schapenvacht. Zie VK.I03 Een paard of ezel aanspannen voor een kar en 14.13 Karren en lastdieren.
Last en trekkracht
Een werkdier kan veel, maar niet alles. Een uitgeput dier is wekenlang niet te gebruiken.
- Dragen (pakzadel): hooguit 20 % van het lichaamsgewicht, inclusief zadel wordt getoetst. Een ezel van 200 kg draagt dus zo'n 40 kg, een paard van 500 kg zo'n 100 kg.
- Trekken op een kar: op een goede weg trekt een paard de hele dag een kar met lading van ongeveer zijn eigen gewicht, een ezel ook wordt getoetst. Bergop, op zand of in modder veel minder.
- Werkdag: 4 tot 6 uur werk, met elk uur 10 minuten pauze en water wordt getoetst. Bij hitte werk je vroeg in de ochtend en laat in de avond, nooit tussen 12:00 en 17:00.
- Bouw conditie op: begin met een uur per dag, verleng elke week.
Ziekte herkennen
Leer wat normaal is voor jouw dier, dan zie je sneller wat niet klopt.
| № | Dier | Temperatuur | Hartslag per minuut | Ademhaling per minuut |
|---|---|---|---|---|
| 1 | Paard | 37,5 tot 38,5 °C | 28 tot 44 | 8 tot 16 |
| 2 | Ezel | 36,5 tot 37,8 °C | 36 tot 52 | 12 tot 28 |
| 3 | Geit | 38,5 tot 40 °C | 70 tot 90 | 12 tot 20 |
| 4 | Hond | 38 tot 39 °C | 60 tot 140 | 10 tot 30 |
Alle waarden in deze tabel zijn richtwaarden wordt getoetst. Meet de temperatuur in de anus met een thermometer met een touwtje eraan. Alarmsignalen: niet eten, niet mesten, rusteloos liggen en opstaan, naar de flank kijken, zweten in rust, kreupel lopen, dikke warme poten, etterende neus. Een ezel laat pijn nauwelijks zien: een ezel die suf staat en niet eet, is ernstig ziek. Zie VK.I04 Eerste hulp voor dieren.
Honden voor waken, hoeden en trekken
- Waken: een hond die blaft bij vreemden en dan naar jou toe komt, is een alarm dat nooit slaapt. Train geen bijten. Zie VK.I05 Een hond leren waken en volgen.
- Hoeden: een hoedende hond (border collie, schapendoes) leert van een ervaren hond en hoeder. Dat duurt een tot twee jaar.
- Trekken: een grote, gezonde hond trekt een lichte kar of slee met een goed tuig rond borst en schouders, nooit aan de halsband. Laat hem niet meer trekken dan ongeveer zijn eigen gewicht op wielen op een vlakke weg wordt getoetst en geen pakken dragen zwaarder dan 10 % van zijn gewicht wordt getoetst.
- Voer honden vooral slachtafval, vis en vlees, aangevuld met gekookte granen en groente. Geef nooit gekookte botten: die splinteren.
Zo weet je dat het werkt
- Je werkdieren staan in goede conditie: je voelt de ribben maar ziet ze niet.
- Ze lopen recht, ook na een werkdag.
- Ze laten hun voeten optillen en staan stil bij aanspannen.
- De hond blaft bij een vreemde en komt dan naar je toe.
Zo weet je dat het misgaat
- Het dier verliest gewicht: te weinig voer of wormen. Geef meer ruwvoer, minder werk en mest 's avonds op een kale plek zodat wormeieren niet terug in het gras komen.
- Schaafwonden onder het tuig: het tuig zit verkeerd of is vuil. Pas het aan, bekleed het, maak het elke dag schoon en laat de wond genezen voor je weer werkt.
- Het dier loopt kreupel: zoek naar een steen, rotstraal of hoefzweer. Zie VK.I02 Hoeven verzorgen.
- Het paard rolt, kijkt naar zijn buik en mest niet: koliek. Haal al het voer weg en volg VK.I04 Eerste hulp voor dieren.
- Het paard of de ezel staat achterover met de voorbenen naar voren: hoefbevangenheid. Haal het direct van het gras en zet het op zachte grond.
Gevaar · Veilig met grote dieren
- Loop nooit vlak achter een paard of ezel zonder je hand op het dier en je stem te laten horen. Een trap kan doden.
- Wikkel een touw nooit om je hand en bind een dier vast met een knoop die je met één ruk losmaakt.
- Laat een aangespannen dier nooit alleen staan en haal nooit het hoofdstel af zolang het aan de kar vastzit.
- Giftig voor paarden en ezels: taxus (een paar happen zijn dodelijk), jacobskruiskruid, oleander (ook als kuipplant in tuinen) en in de herfst de zaden van esdoorns wordt getoetst. Houd ze uit de weide.
- De eikenprocessierups is levensgevaarlijk voor honden: de haren verbranden tong en bek.
Als je iets mist
| № | Mis je | Gebruik dan |
|---|---|---|
| 1 | Hooi | Stro met wat bladeren van wilg en hazelaar, gras dat je zelf droogt |
| 2 | Borsttuig | Autogordels, brandweerslang of een brede riem, bekleed met vilt |
| 3 | Zout | Een zoutsteen uit een tuincentrum of zout uit zeewater (11.06 Zout winnen) |
| 4 | Hoefrasp | Een grove houtrasp |
| 5 | Kar | Een fietskar, het onderstel van een caravan, of een eigen as met twee autowielen |
| 6 | Hondenvoer | Slachtafval, vis, eieren, gekookte granen |
Achtergrond
Een paard en ezel zijn grazers met een kleine maag en een lange darm. Ze moeten de hele dag een beetje eten. Lang niets eten of plotseling veel graan of jong gras zet de darmflora op zijn kop: dat geeft koliek en hoefbevangenheid. Ezels zijn woestijndieren. Ze halen veel uit weinig en worden op rijk Nederlands gras ziek. Hun vacht is niet waterdicht, dus ze hebben in de Nederlandse regen een dak nodig. De trekkracht die een dier de hele dag kan volhouden, is maar een klein deel van zijn gewicht. Een kar op wielen maakt die kracht nuttig: op een goede weg kost het rollen weinig, in zand en modder veel. Een goed passend tuig voorkomt dat de kracht op één punt drukt. Een hond leert door wat hem iets oplevert. Belonen werkt sneller en betrouwbaarder dan straffen.
Volgende niveau
- Fok met je beste dieren. Een veulen is pas na 3 tot 4 jaar te gebruiken voor werk wordt getoetst.
- Leer een paard ploegen en eggen. Zie 13.04 Een moestuin beginnen en 14.13 Karren en lastdieren.
- Leer hoefijzers smeden en zetten, samen met 09.12 Smeden: de basis.
- Bouw een vaste stal met voerruif, waterbak en droge mestplaats.
Controlelijst
- Elk dier heeft elke dag genoeg schoon water en ruwvoer, verdeeld over de dag.
- Er ligt hooi of stro voor de hele winter, droog en tegen ratten beschermd.
- Hoeven worden dagelijks uitgekrabd en elke 6 tot 10 weken bijgewerkt.
- Het tuig past, is schoon en geeft geen schaafplekken.
- Iedereen kent de normale temperatuur, hartslag en ademhaling van de dieren.
- Giftige planten zijn uit de weides gehaald.
- Niemand laat een aangespannen dier alleen.
Verantwoording
Praktijk van menverenigingen, hoefsmeden en organisaties die werkende ezels en paarden in Zuid Europa en Afrika ondersteunen; algemene diergeneeskundige richtwaarden voor voer, water en vitale functies; kennis van hondentrainers die met beloning werken. Getoetst door: nog niet.