Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Kennis & wederopbouw
  4. Technieken overdragen

Hoofdstuk · Kennis & wederopbouw

Technieken overdragen

Meester en leerling, voordoen en nadoen, handleidingen en de proeven uit dit boek

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · Oefenen mag niemand verwonden Reanimeer nooit op een levend mens. Oefen geen knelverband strak en lang. Oefen met scherp gereedschap, vuur, hoogte, lasten en elektriciteit alleen onder toezicht, met beschermers, en met een stopwoord. Geef een leerling pas werk zonder toezicht na een gehaalde Proeve. Doe niet alsof je iets kunt. Wie een leerling iets verkeerds leert, geeft de fout door aan iedereen na hem.

In de deuropening van een bakstenen huisje vlecht een oude man een mand van wilgentenen, terwijl een tienermeisje naast hem hetzelfde vlechtwerk nadoet.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

In bijna elke groep is er één iemand die de pomp kent, één die kan hechten, één die kan smeden. Als die ziek wordt of sterft, is die kennis weg, en dit boek vangt dat niet op: wat in handen zit, staat niet op papier. Daarom is lesgeven hier geen extraatje maar werk, net als water halen.

Als er nog hulp is Laat vakmensen nu voordoen wat ze kunnen, en film het. Volg zelf een cursus eerste hulp of een vak zolang er leraren zijn.

Eerst doen

  1. Maak een lijst van de taken waar de groep niet zonder kan, en schrijf achter elke taak wie het kan.
  2. Staat er één naam achter een taak: wijs deze week een leerling aan.
  3. Laat de vakman de taak voordoen en schrijf mee of film het.
  4. Kies de proef: een Proeve uit een vaardigheidskaart, of maak er zelf een.
  5. Zet les- en oefenuren in het rooster, net als ander werk (15.02 Taken verdelen).
  6. Herhaal levensreddende vaardigheden op vaste momenten.

Wat je nodig hebt

  • Een schrift of map: het vaardighedenboek.
  • Een klok, meetlat en oefenmateriaal, zoals afvalhout, oud touw, een oefenpop.
  • Een plek waar fouten mogen, zonder gevaar voor mensen.
  • Papier en potlood voor handleidingen, en een telefoon voor foto's en filmpjes als die werkt (16.06 Digitale kennis bewaren).
  • Tijd. Reken op de Leertijd op de kaart, en op meer voor een volledig vak.

Werkwijze

Wie kan wat: de kaart van de groep

In de software heet dit de bus factor: hoeveel mensen mag je kwijtraken voordat het werk stilvalt? Bij één naam is het antwoord nul. De bekende middelen zijn: maak het werk eenvoudiger, schrijf het op, en leer meer mensen hetzelfde.

№TaakWie kan hetWie leert hetProeve gehaald opHerhalen vóór
1Water zuiverenAnna, PedroSem3 maart3 juni
2Wond verzorgenMartaKees--

De namen zijn verzonnen, als voorbeeld.

  1. Begin met wat mensenlevens kost als het stopt: water, eerste hulp, vuur, voedsel, wacht.
  2. Streef naar drie mensen per levensbelangrijke taak: één kan ziek zijn en één kan weg zijn wordt getoetst.
  3. Laat die drie niet in hetzelfde huis wonen als het kan, en stuur ze niet samen op een gevaarlijke tocht wordt getoetst.
  4. Bekijk de kaart elke maand wordt getoetst. Wie erbij komt, zet je erop. Wie wegvalt, streep je door.

Zoek ook buiten je eigen kring: boeren, molenaars, gepensioneerde vakmensen en mensen in dorpen die nog schapen hoeden of manden vlechten wordt getoetst. Ouderen zijn hier goud waard: lesgeven kan zittend.

Meester en leerling

De oude vorm is drie stappen: leerling, gezel, meester. Een leerling kreeg kost en les in ruil voor zijn werk. De bron noemt 2 tot 7 jaar of meer. Een Duitse opleiding duurt nu 2 tot 3,5 jaar. Meester werd je pas na een proef: een werkstuk dat het gilde beoordeelde. Een vak leer je dus niet in een weekend, en pas echt door het te doen en beoordeeld te worden.

Zo maak je het bruikbaar:

  • Leerling: kijkt, helpt, doet onderdelen onder toezicht. Dit past bij niveau I in dit boek.
  • Gezel: doet het werk zelf, de meester controleert achteraf. Dit past bij niveau II wordt getoetst.
  • Meester: werkt alleen, lost problemen op en leidt anderen op. Dit past bij niveau III wordt getoetst.

Spreek in de groep af wat de leerling leert, in welke tijd, wie beoordeelt, en wat er gebeurt als het niet klikt. Lesuren tellen als werk (15.06 Ruil en samenwerking).

Kies leerlingen op handen, geduld en belangstelling, niet op familie of status wordt getoetst. Vroeger begon een leerling op 10 tot 15 jaar. Kinderen leren veel, maar houd ze weg van gevaarlijk werk (12.10 Een werkplaats bouwen, 06.07 Zorg voor kinderen).

Kennis is ook macht: wie als enige kan repareren, deelt soms niet graag. Neem die angst weg. De meester houdt zijn plek en aanzien, en lesgeven is een plicht van iedereen (15.01 Afspraken maken) wordt getoetst.

Voordoen, nadoen, controleren

Het Amerikaanse oorlogsprogramma Training Within Industry werkte zo: deel de taak op in stappen, doe voor met de kernpunten en de redenen, kijk mee terwijl de leerling het doet, en trek je langzaam terug. Volgens Wikipedia kregen meer dan 1,6 miljoen werkers zo een certificaat. Het motto: heeft de werker het niet geleerd, dan heeft de leraar het niet geleerd.

De medische opleiding kent de vergelijkbare methode van Peyton, in vier stappen. De invulling hieronder komt niet uit een gelezen bron wordt getoetst. In een proef met 97 studenten voegde de derde stap het meest toe, meer dan nog een keer voordoen; dat is de stap waarin de leerling de leraar vertelt wat hij moet doen wordt getoetst. In een proef met 34 studenten was de eerste poging sneller (168 tegen 242 seconden), maar de stappen zelf gingen niet beter. Dit zijn geneeskundestudenten met oefenpoppen, geen smeden of boeren.

  1. Bereid voor. Knip de taak in stappen, hooguit zeven per les wordt getoetst. Leg alles klaar.
  2. Doe het op tempo voor, zonder uitleg. De leerling ziet hoe het eruitziet als het goed gaat.
  3. Doe het langzaam voor, met uitleg. Per stap: wat, hoe en waarom. Wijs het kernpunt aan.
  4. Laat de leerling zeggen wat je moet doen. Jij doet precies wat hij zegt. Zo hoor je wat hij niet heeft begrepen, voordat er iets stukgaat.
  5. Laat de leerling het doen, en hardop zeggen wat hij doet.
  6. Trek je terug. Blijf eerst naast hem staan, dan op afstand. Kom later onverwacht kijken.

Geef na elke poging één punt om te verbeteren, en noem ook wat goed ging wordt getoetst. Blijf van het werkstuk af. Spreek een stopwoord af: als de meester dat roept, stopt de leerling meteen. Begin koud, langzaam en op afval.

Wat niet in woorden past

"We kunnen meer weten dan we kunnen zeggen", schreef Michael Polanyi. Hoe warm is het staal, wanneer is deeg goed, hoe klinkt een lager dat stukgaat? Zulke kennis gaat vooral over door kijken, nadoen en samen werken. Help haar over te komen:

  • Vraag de meester tijdens het werk: waar kijk je nu naar? Wat hoor je? Wat voel je? Schrijf de antwoorden op.
  • Bewaar voorbeelden: een goed en een fout stuk naast elkaar, met een label wordt getoetst.
  • Maak foto's met een maat erbij, en korte filmpjes als dat nog kan.
  • Laat de leerling hetzelfde werk naast de meester doen, en vergelijk daarna.

Hoe het mis kan gaan, laat Fogbank zien. Die Amerikaanse stof voor kernwapens moest rond 2000 opnieuw worden gemaakt. Er was weinig opgeschreven, de vakmensen waren weg en de fabriek was gesloten. Het herstel duurde jaren en kostte 92 miljoen dollar, in een land met alle middelen.

Een handleiding schrijven

Een handleiding houdt vast wat de meester weet. De Amerikaanse milieudienst EPA geeft goede regels voor werkvoorschriften: kort, stap voor stap, makkelijk te lezen. Laat hem schrijven door wie het werk echt doet. Laat hem testen door iemand anders dan de schrijver. Zet er een versienummer en datum op, en bekijk hem elke 1 tot 2 jaar opnieuw.

Gebruik deze vaste vorm, gelijk aan de hoofdstukken van dit boek:

№VeldWat erin staat
1KopTitel, versie, datum, schrijver
2Doel en gevaarWat is het resultaat, wat kan misgaan?
3NodigGereedschap, materiaal, mensen, tijd
4StappenGenummerd, één handeling per stap
5Controle en foutenZo weet je dat het goed is, met een maat; wat je doet als het misgaat
6ProeveWat je moet kunnen laten zien
  1. Begin elke stap met een werkwoord: draai, meet, wacht.
  2. Noem maten en tijden: geen "goed heet" maar "tot het water kookt" wordt getoetst.
  3. Teken wat je moeilijk kunt zeggen.
  4. Schrijf eenvoudig, en in de talen van de groep.
  5. Proefdraaien: geef de tekst aan iemand die het nog nooit deed, en zwijg. Elke vraag die hij stelt, is een fout in de tekst. Verbeter en test opnieuw.
  6. Maak kopieën (16.05 Papier en drukwerk) en leg het origineel in het archief (16.01 Een kennisarchief). Haal oude versies weg uit de werkplaats.

Voeg bij werk dat niet mag misgaan een korte controlelijst toe. De WHO zegt dat haar lijst voor operaties, die minder dan twee minuten kost, complicaties en sterfte met meer dan 30 procent vermindert. Of dat in een werkplaats ook geldt, is onbekend wordt getoetst. Nieuwe kennis uit eigen proeven schrijf je op zoals in 16.03 Experimenten documenteren.

Werken met de proeven uit dit boek

Alle 117 vaardigheidskaarten (VK) hebben een Leertijd, een blok Oefenen en een Proeve: een meetbare test. Enkele voorbeelden:

  • VK.B01 Drukverband aanleggen: binnen 90 seconden, en het zit na 50 passen nog vast.
  • VK.B06 Reanimatie: twee minuten op een oefenpop, 100 tot 120 compressies per minuut.
  • VK.J05 Twee draden solderen: vijf verbindingen in 10 minuten, alle vijf goed.

Zo gebruik je de proeven:

  1. Plan met de Leertijd. Laat iemand pas een Proeve doen als hij denkt dat hij het kan.
  2. Laat iemand anders dan de leraar beoordelen, als dat kan wordt getoetst.
  3. Meet echt: met een klok en een lat. Gehaald of niet gehaald, zonder "bijna".
  4. Niet gehaald? Noem wat er misging, oefen en probeer het opnieuw. Geen schaamte en geen straf.
  5. Noteer datum en beoordelaar op de kaart van de groep.
  6. Proeven op mensen: alleen wat veilig is. Reanimeren, stoten en knelverbanden doe je op een pop of alleen als droge oefening (VK.B02 Knelverband aanleggen en improviseren).

Wees eerlijk over wat een Proeve is. De getallen zijn niet getoetst wordt getoetst. Past een getal niet bij jullie werk, verander het dan en schrijf op waarom. Een gehaalde Proeve bewijst dat je het die dag kon. Hij maakt je geen arts, elektricien of smid.

Vaardigheid zakt weg. Een overzicht van onderzoek naar gevorderde reanimatie door zorgverleners vond achteruitgang binnen een half jaar tot een jaar, en vaardigheid zakte sneller dan kennis. Bij kinderreanimatie wordt zelfs gesproken over maanden wordt getoetst. Oefenen met tussenpozen van dagen of weken werkt beter dan alles in één keer, al komt dat vooral uit onderzoek naar woorden en feiten. Daarom kiest dit boek:

№Soort vaardigheidOpnieuw oefenenProeve opnieuw
1Levensreddend en zeldzaam: reanimatie, bloeding, verslikkingElke maand kort wordt getoetstElke drie maanden wordt getoetst
2Veilig werken: vuur, gereedschap, hijsenElke drie maanden wordt getoetstElk half jaar wordt getoetst
3Dagelijks werkVanzelfElk jaar, of na een ongeluk wordt getoetst

Kennis niet bij één persoon laten

  • Werk in tweetallen bij belangrijke taken, en wissel elk jaar één van de twee (12.09 Onderhoud plannen).
  • Laat iedere nieuwe gezel iemand anders opleiden. Zo groeit het aantal leraren (14.10 Kennis verspreiden).
  • Houd een dag zonder meester: de vakman blijft thuis en de rest doet het werk wordt getoetst.
  • Is iemand oud of ernstig ziek: laat hem nu voordoen en vertellen, en neem het op (15.09 Collectief geheugen).

Zo weet je dat het werkt

  • Achter elke levensbelangrijke taak staan minstens twee namen, op weg naar drie.
  • De taak gaat door als de vakman een week weg is.
  • Een leerling haalt de Proeve zonder hulp, ook een paar maanden later.
  • Iemand die het nooit deed, voert de taak uit met alleen de handleiding.
  • Oud-leerlingen leiden zelf mensen op.

Zo weet je dat het misgaat

  • Eén naam blijft maandenlang staan: de les krijgt geen tijd. Zet hem in het rooster, en haal die mensen van ander werk.
  • De leerling mag alleen vegen en aangeven: de meester deelt niet. Bespreek het in de groep en wijs desnoods een andere meester aan.
  • Proeven worden gehaald met "bijna": de maat is weg. Meet opnieuw, met een andere beoordelaar.
  • Iedereen slaagt, maar in het echt gaat het mis: de proef is te makkelijk. Doe hem met koude handen, in het donker of onder tijdsdruk.
  • Een handleiding wordt niet gebruikt: hij is te lang of te moeilijk. Laat een gebruiker hem herschrijven.
  • Mensen raken gewond tijdens het oefenen: stop, zoek uit waarom, en pas de oefening aan.

Gevaar · Oefenen mag niemand verwonden Reanimeer nooit op een levend mens. Oefen geen knelverband strak en lang. Oefen met scherp gereedschap, vuur, hoogte, lasten en elektriciteit alleen onder toezicht, met beschermers, en met een stopwoord. Geef een leerling pas werk zonder toezicht na een gehaalde Proeve. Doe niet alsof je iets kunt. Wie een leerling iets verkeerds leert, geeft de fout door aan iedereen na hem.

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1Een meesterLeer samen uit dit boek, in kleine stapjes en op afval, en noteer wat werkt (16.03 Experimenten documenteren). Dat is trager en gevaarlijker wordt getoetst
2OefenpopOpgerolde deken of kussen voor de handgreep; het drukgevoel is dan anders wordt getoetst
3PapierVertellen, rijmen, tekenen op een bord, en oefenen tot het zit
4Gemeenschappelijke taalDoe voor zonder woorden, teken, en koppel een tolk (14.10 Kennis verspreiden)
5BeoordelaarLaat twee leerlingen elkaar beoordelen met de kaart, of beoordeel aan de hand van het werkstuk

Achtergrond

Weten is iets anders dan kunnen. Lezen geeft je de stappen, maar je handen leren door herhaling, met iemand die je fouten ziet. Zeggen wat de leraar moet doen, dwingt je om uit je hoofd op te halen wat er komt, zonder dat er iets stukgaat. Waarschijnlijk werkt de derde stap daarom wordt getoetst. Kennis in een groep gedraagt zich als een zaadvoorraad: wat niemand zaait, gaat verloren wordt getoetst. Bewijs: zonder oefenen zakken vaardigheden weg B (systematisch overzicht bij zorgverleners, kleine studies). De stap waarin de leerling de leraar stuurt B (één gerandomiseerde studie op oefenpoppen). Voordoen, nadoen en loslaten B (praktijk van TWI, via Wikipedia). Spreiden van oefenen B (sterk voor geheugen, zwakker bewijs voor handwerk). Werkvoorschriften zoals EPA ze beschrijft B. Controlelijst B in operatiekamers (stelling van de WHO, studies niet gelezen), C daarbuiten. Drie mensen per taak en de herhaaltermijnen C (eigen keuze). Alleen lezen om een gevaarlijke handeling te leren D.

Volgende niveau

Maak van de beste leerlingen leraren, met een eigen proef: een nieuwe leerling haalt de Proeve onder jouw begeleiding. Richt per vak een werkplaats in (12.10 Een werkplaats bouwen). Koppel dit aan een school (15.08 Onderwijs organiseren) en de bibliotheek (16.08 Een bibliotheek opbouwen). Spreek met andere dorpen af wie wie opleidt (15.06 Ruil en samenwerking).

Controlelijst

  • Ik heb een kaart van wie wat kan, en ik bekijk die elke maand.
  • Achter elke levensbelangrijke taak staan minstens twee namen.
  • Ik doe voor, laat de leerling zeggen wat ik moet doen, en laat hem dan zelf doen.
  • Ik geef per poging één verbeterpunt en spreek een stopwoord af.
  • Ik schrijf handleidingen met stappen, maten en een versie, en laat ze testen door iemand anders.
  • Ik gebruik de Proeve op de kaart, meet echt en noteer de datum.
  • Ik herhaal levensreddende vaardigheden op vaste momenten.
  • Ik zeg eerlijk wat ik wel en niet kan.

Verantwoording

De indeling van de stappen van Peyton komt niet uit een gelezen bron: de samenvattingen noemen de stappen niet. De Nederlandse Wikipedia over gilden gaf een fout en is niet ingezien. Niet onderbouwd en daarom gemarkeerd: het streefgetal van drie mensen, de inhoud van stap 3, spreiden over huizen en tochten, hoe vaak je de kaart bekijkt, ambachten in dorpen, de koppeling van niveaus aan leerling, gezel en meester, de keuze van leerlingen, de omgang met macht, hooguit zeven stappen, één verbeterpunt per poging, voorbeeldstukken bewaren, onafhankelijk beoordelen, de oorsprong van de getallen in de Proeven, alle herhaaltermijnen, de dag zonder meester, de vervangers in de tabel, de zaadvergelijking, en het effect van controlelijsten buiten ziekenhuizen. De voorbeelden met namen zijn verzonnen. Getoetst door: nog niet.

Open in de app en bewaar offline