Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Voedsel verwerven
  4. Strikken en vallen

Hoofdstuk · Voedsel verwerven

Strikken en vallen

Klein wild vangen zonder geweer: waar het mag, hoe het humaan kan en wat het echt oplevert

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · Verboden middel, zieke dieren en bijtende handen

  • Strikken, klemmen en lijm zijn in gewone tijden verboden, en bezit in het veld ook. Zet ze alleen bij langdurige uitval en met de regels van de groep.
  • Zet nooit gif of vergiftigd aas uit: het doodt honden, roofvogels, kinderen en uiteindelijk jou.
  • Pak nooit een levend wild dier met blote handen; vil altijd met handschoenen en eet nooit een dier dat ziek leek of dood werd aangetroffen.
  • Kook wild door en door. Vertrouw niet op invriezen, roken of zouten: invriezen doodt tularemie niet, en zouten en roken doden trichinen niet betrouwbaar.
  • Geef honden nooit rauwe ingewanden van wild.
Een vrouw en een jongen hurken bij zonsopkomst in de duinen naast een smal pad; zij wijst naar de grond en hij schrijft in een boekje.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

Een strik werkt terwijl jij slaapt, kost een meter draad en vraagt geen munitie. Daarom staat hij in elk overlevingsboek. Maar hij is in gewone tijden verboden, hij doodt meestal niet snel, hij vangt net zo makkelijk een kat of een hond, en de opbrengst valt vaak tegen wordt getoetst. Dit hoofdstuk leert je hoe het werkt zodat je het goed doet als het ooit moet, en vooral wanneer je het niet doet.

Als er nog hulp is Zet in gewone tijden geen strik of val: zelfs het bezit buiten gebouwen is verboden. Wie konijnen wil vangen, regelt dat via de grondgebruiker met een kastval of een fret.

Eerst doen

  1. Beslis als groep of vangen nodig en toegestaan is (15.03 Besluiten nemen). Zolang er winkels, wet en handhaving zijn: nee.
  2. Leer eerst sporen lezen (VK.F07 Sporen lezen): waar lopen konijnen, waar zitten de holen, waar landen duiven.
  3. Begin met een kooi of kastval: die vangt levend, is kiesbaar en laat je een verkeerd dier vrij.
  4. Controleer elke val minstens twee keer per dag, bij zonsopkomst en voor donker.
  5. Draag handschoenen bij elk dood dier, eet nooit een dier dat ziek leek, en kook wild gaar.
  6. Haal elke strik en val weg zodra je stopt. Een vergeten strik blijft vangen.

Wat je nodig hebt

  • Strikdraad: gegloeid staaldraad of messingdraad van 0,6 tot 1 mm, ongeveer 60 cm per strik wordt getoetst; paracord of sterk touw voor grotere lussen en voor sleep- en veerstrikken.
  • Een tangetje, een mes, een zaag en een handvol pennen van hard hout.
  • Voor een kooi: gaas met mazen van 1 tot 2,5 cm wordt getoetst, latten, scharnieren of leer, en een valdeur.
  • Een stevige stok van armlengte om te doden.
  • Werkhandschoenen, wegwerphandschoenen of plastic zakken, zeep, een emmer water.
  • Een vangstboekje en een kaart waarop elke val staat met nummer.
  • Zout en een rookplek voor wat je niet dezelfde dag eet (04.07 Zouten en pekelen, 04.08 Roken).

Werkwijze

Het principe: strik, val en kooi

  • Strik. Een lus die dichttrekt als het dier erdoorheen loopt, vastgezet aan een paal, een zware tak of een gebogen boompje. Een gewone strik houdt vast en doodt meestal niet meteen; het dier lijdt tot je komt. Een veerstrik (met een gebogen jong boompje als veer) trekt het dier omhoog en doodt sneller wordt getoetst, maar is lastiger om goed af te stellen.
  • Val (valgewicht). Een zware steen of balk die valt als het dier aan een lokaas trekt, zoals het "figuur 4"-mechaniek van drie gekerfde stokjes. Het gewicht moet het dier direct doden of uitschakelen. Slecht gebouwd verwondt hij wordt getoetst. Het gewicht moet minstens vijf keer het gewicht van het dier zijn wordt getoetst. Oefenen vraagt uren.
  • Kooi of kastval. Een kist van gaas of hout met een deur die dichtklapt. Het dier zit levend en ongedeerd. Je kiest zelf wat je doodt en wat je loslaat. Een grondgebruiker mag tegen schadelijke konijnen naast geweer, honden, gefokte roofvogels en fretten met buidels ook kastvallen en vangkooien gebruiken. Voor de groep is dit de veiligste keus.
  • Net. Een buidel of net over een konijnenhol met een fret die het konijn eruit jaagt, of een slagnet voor duiven. Vraagt dieren of oefening.

Waar je ze zet

Dieren lopen vaste routes. Een wissel is een pad dat meerdere soorten gebruiken; een loopspoor is smaller en van één soort. Zoek:

  • Konijnen: platgetreden paadjes door gras en braam tussen hol en graasplek, keutels, afgeknabbelde scheuten, verse zandhopen bij holen. Zet de strik op het pad, een handbreedte voor een struik of een gaatje in een heg waar het dier zijn kop laag houdt wordt getoetst.
  • Ratten: langs muren en richels, vette veegsporen, keutels, vaste gaten onder vloeren en bij composthopen wordt getoetst.
  • Duiven: slaapbomen, zolders, silo's, plekken waar graan ligt wordt getoetst. Zet een val op de overgang tussen slaapplek, water en eten. Versmal het pad met takjes tot net iets breder dan het dier, zodat het door de lus moet. Raak zo weinig mogelijk aan, gebruik geen vers afgesneden groen (de sapgeur schrikt af), bouw de onderdelen elders en draag ze aan. Laat een nieuwe val een paar dagen staan voor hij vangt: dieren wennen eraan.

Een eenvoudige strik voor konijn

  1. Knip 60 cm draad. Maak aan het ene eind een oogje van 5 mm door de draad om een spijker te draaien wordt getoetst.
  2. Haal het andere eind door het oogje: dat is de lus. Maak hem zo groot als een vuist, ongeveer 8 tot 10 cm doorsnee wordt getoetst.
  3. Bind het losse eind aan een stevige pen van 30 cm wordt getoetst die je schuin in de grond slaat, of aan een zware tak die het dier mee kan slepen.
  4. Zet de lus rechtop midden boven het pad, de onderkant een hand (7 tot 10 cm) boven de grond wordt getoetst, gesteund door een gevorkt takje of een grasspriet.
  5. Markeer de plek op je kaart en controleer bij licht en voor donker. Voor duiven werken strikken slecht; gebruik een kooi met een trechteringang en wat graan, of een slagnet wordt getoetst. Voor ratten gebruik je een klem of een kooi, nooit een strik met je handen in de buurt van het dier.

Controleren en humaan doden

Een dier in een strik is bang, gewond en gevaarlijk: konijnen schoppen, ratten bijten, duiven slaan. Pak nooit een levend wild dier met blote handen.

  • Konijn. Houd het dier aan de achterpoten met de kop omlaag en geef met een zware stok één korte, krachtige klap net achter de oren (03.09 Slachten, uitbenen en delen). De EU staat een harde, gerichte klap op de kop toe bij konijnen en hazen tot 5 kilo, maar alleen als er geen andere methode beschikbaar is (Verordening 1099/2009, bijlage I). Snijd meteen de hals door om te laten uitbloeden. Controleer: geen ademhaling, geen ooglidreflex als je het oog aanraakt, slappe spieren na enkele seconden trillen wordt getoetst. Nekbreuk staat in die EU-lijst alleen voor pluimvee, niet voor konijnen, en de samenvatting van de AVMA-richtlijn noemt hem bij konijnen alleen onder voorwaarden. Bij ongeoefenden gaat hij vaak mis wordt getoetst.
  • Duif. Houd het lichaam vast, trek de kop met een draai naar achteren tot je de nek voelt breken, of gebruik de stokklap wordt getoetst.
  • Rat. Dood in de kooi met één klap op de kop door het gaas of met een klem wordt getoetst. Pak de dode rat alleen met handschoenen of een tang. Wat je niet doet: verdrinken, laten stikken, laten liggen tot later. Dat is wreed en het bederft het vlees. Een ongedeerd dier dat je niet nodig hebt, laat je gaan.

Kleine dieren: konijn, duif en rat als laatste

  • Konijn is het nuttigste: algemeen in duinen, dijken en bermen, snel voortplantend, ongeveer 1 tot 1,5 kilo zwaar met 500 tot 700 gram vlees wordt getoetst. Let op zieke dieren: konijnen met dikke, ontstoken oogleden en zwellingen aan kop en geslachtsdelen hebben myxomatose; konijnen die plotseling dood liggen met bloed uit de neus kunnen het hemorragische virus (RHD) hebben. Beide virussen besmetten geen mensen, maar een ziek dier eet je niet wordt getoetst. Eet alleen dieren die er gezond uitzagen en bewogen.
  • Haas is groter maar geen doelwit voor strikken, en de belangrijkste zorg bij tularemie (hazenpest). Een haas die zich laat pakken is vaak ziek wordt getoetst. Laat hem liggen.
  • Houtduif en stadsduif. Een grondgebruiker mag houtduiven bestrijden met geweer, honden en gefokte roofvogels, niet met vallen. Stadsduiven eten van de straat en dragen vaker ziekten; gaar koken en de ingewanden niet aanraken wordt getoetst.
  • Rat eet je pas als er niets anders is. Bruine ratten dragen leptospirose (ziekte van Weil) in hun urine en wormen in de darm wordt getoetst. In Nederland is Seoulvirus bij gehouden ratten gevonden. Het vlees is eetbaar als het door en door gaar is wordt getoetst, maar het villen is het risico: de bacterie komt binnen via open wonden en slijmvliezen. Handschoenen, buiten villen, ingewanden direct begraven, handen met zeep. Liever de rat bestrijden dan eten (06.11 Luizen, vlooien, muggen en ratten).
  • Vos, kat, hond, egel, roofvogel, das: nooit. Wettelijk beschermd of te riskant (vos: lintworm wordt getoetst, trichinen; zie 04.14 Voedsel dat giftig is als je het verkeerd bereidt).

Hygiëne en zoönosen

Ziekten die van dier op mens overgaan zijn het echte gevaar van wild vangen, meer dan honger.

  • Tularemie (hazenpest). Bacterie bij hazen en knaagdieren. Het RIVM telt in Nederland 39 patiënten van 2011 tot en met 2024, van wie acht de besmetting waarschijnlijk in het buitenland opliepen. Konijnen gelden niet als belangrijke bron, maar konden wel besmet zijn (Zoogdier, 2014). Besmetting via een wondje bij contact met een dier, via insecten- en tekenbeten, via half gaar vlees en via water. Klachten na 1 tot 21 dagen, meestal 3 tot 5: koorts, hoofdpijn, spierpijn, een zweer op de plek en dikke lymfeklieren. Het RIVM adviseert handschoenen bij het aanraken van wilde hazen en knaagdieren, een mondkapje bij mogelijk besmette dode dieren, geen oppervlaktewater drinken en wild goed garen. Invriezen doodt de bacterie niet.
  • Leptospirose. Via rattenurine in water; de bacterie komt binnen via slijmvliezen of open wonden (RIVM). Klachten na 2 tot 30 dagen (CDC). Griepachtig begin, soms lever- en nierschade (ziekte van Weil); het RIVM telt gemiddeld dertig gevallen per jaar in Nederland, meest van augustus tot november, en tot 20 procent sterfte als de behandeling laat begint. Dek wondjes af, vil met handschoenen en sta niet in water waar ratten leven.
  • Teken en vlooien verlaten een dood dier en zoeken jou wordt getoetst. Hang het dier even buiten, controleer jezelf (VK.B11 Beten en steken).
  • Wormen. Een gezonde lever is glad en donkerrood. Lever en darmen met blaasjes of witte knobbels: gooi de organen weg, was je handen, en eet bij twijfel ook de rest niet wordt getoetst. Geef nooit rauwe ingewanden aan honden; via hondenpoep komt de hondenlintworm (echinokokkose) bij mensen wordt getoetst.
  • Algemeen. Vil buiten en stroomafwaarts van het kamp, was handen en messen met zeep, kook alles door en door (geen roze bij het bot), rook en zout alleen vlees dat je ook zou durven koken (06.05 Infecties voorkomen). Krijgt iemand koorts in de weken na het villen: zeg het, en lees 07.08 Koorts en besmettelijke ziekten; de behandeling staat in het plan met de arts (07.07 Infecties en antibiotica).

Eerlijke verwachtingen van de opbrengst

Strikken is een kansspel. Een ervaren stroper zet tien tot twintig strikken om er 's ochtends één of twee vol te vinden, en op slechte dagen geen wordt getoetst. Een konijn geeft een maaltijd voor twee tot drie mensen wordt getoetst. Konijnenvlees is bovendien zeer mager: wie weken alleen konijn eet zonder vet of koolhydraten, krijgt diarree en valt af ondanks een volle maag, een verschijnsel dat in oude poolverslagen "konijnenhonger" heet wordt getoetst. Vangen is dus een aanvulling op vis (03.05 Vissen met eenvoudig tuig), kust, tuin en voorraad, geen basis. Reken op kippen en tamme konijnen (13.11 Kippen en konijnen) als je echt op dierlijk eiwit wilt kunnen rekenen.

De wet in gewone tijden

Onder de Omgevingswet (Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 11.72) is het gebruik én het bezit buiten gebouwen verboden van strikken, vallen behalve kastvallen, klemmen (behalve onder meer voor mol, ratten en huismuis), vangkooien (behalve voor verwilderde katten en duiven binnen de bebouwde kom), lijm en netten voor het vangen van vogels. Materiaal dat direct tot zo'n middel te maken is, telt mee. Een grondgebruiker mag konijnen en vossen die schade doen bestrijden met geweer, honden, gefokte roofvogels, kastvallen, vangkooien en fretten met buidels (Omgevingsregeling artikel 4.28); houtduiven, kauwen en kraaien alleen met geweer, honden en roofvogels (artikel 4.19). Voor gewone jacht op konijn en houtduif is een jachtakte nodig wordt getoetst.

Een strik kiest niet. Een kat of hond in jouw strik is een drama.

Alleen bij langdurige uitval, en dan met regels

Als wet en winkel maanden weg zijn en de groep besluit te gaan vangen, dan:

  1. Eén persoon is verantwoordelijk, met een kaart waarop elke val een nummer heeft (15.01 Afspraken maken).
  2. Kooien eerst, strikken alleen waar geen mens, hond of kat komt: niet langs paden, niet bij huizen, niet in een tuin.
  3. Elke val wordt twee keer per dag gelicht, ook in de regen. Wie dat niet kan, zet er geen.
  4. Geen vallen in de voortplantingstijd van konijnen (voorjaar en vroege zomer wordt getoetst), en nooit bij een hol met jongen.
  5. Nooit gif, nooit lijm, nooit klemmen groter dan een rattenklem.
  6. Alles wordt opgeschreven: wat gevangen, wat losgelaten, wat ziek leek.
  7. Stopt de uitval, dan gaan alle vallen dezelfde week weg.

Zo weet je dat het werkt

  • Je vindt zelf wissels, holen en keutels zonder dat iemand ze aanwijst.
  • Een kooi of strik vangt binnen een week de soort die je bedoelde, en niets anders.
  • Elk gevangen dier is binnen een minuut dood na jouw komst, en niemand is gebeten of gekrabd.
  • Lever en darmen zien er schoon uit en het vlees is na koken grijs tot op het bot.
  • Niemand krijgt koorts of zweren in de weken na het villen.
  • Je kaart klopt: geen val is "zoek".

Zo weet je dat het misgaat

  • Lege vallen, dag na dag. Verkeerde plek of te veel geur. Verplaats naar een echt loopspoor, raak minder aan, wacht een week.
  • Een kat, hond, egel of vogel in de val. Laat hem los als hij ongedeerd is; verzorg of dood hem als hij zwaar gewond is. Haal die val weg en zet hem niet terug op die plek.
  • Een dier is al uren dood en opgezet, of aangevreten. Niet eten. Begraaf het en controleer vaker.
  • Koorts, spierpijn en een zweer op de hand een week na het villen. Denk aan tularemie. Rust, vocht, meld het, zie 07.08 Koorts en besmettelijke ziekten; antibiotica volgens het plan met de arts (07.07 Infecties en antibiotica).
  • Diarree en gewichtsverlies bij wie alleen konijn eet. Vet en koolhydraten toevoegen: eikelmeel, vis, olie, reuzel.
  • Konijnen met dikke oogleden of veel dode konijnen in het veld. Myxomatose of RHD. Stop met vangen in dat gebied, eet geen zieke dieren.
  • Een strik is kwijt. Zoek tot je hem hebt. Hij vangt door.

Gevaar · Verboden middel, zieke dieren en bijtende handen

  • Strikken, klemmen en lijm zijn in gewone tijden verboden, en bezit in het veld ook. Zet ze alleen bij langdurige uitval en met de regels van de groep.
  • Zet nooit gif of vergiftigd aas uit: het doodt honden, roofvogels, kinderen en uiteindelijk jou.
  • Pak nooit een levend wild dier met blote handen; vil altijd met handschoenen en eet nooit een dier dat ziek leek of dood werd aangetroffen.
  • Kook wild door en door. Vertrouw niet op invriezen, roken of zouten: invriezen doodt tularemie niet, en zouten en roken doden trichinen niet betrouwbaar.
  • Geef honden nooit rauwe ingewanden van wild.

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1StaaldraadMessingdraad uit een oude motor of trafo, binnendraden van een fietskabel, snaar van een gitaar; touw voor grote lussen wordt getoetst
2Een kooiEen omgekeerde mand of kist op een stokje met lokaas en een lang touw, bediend vanuit een schuilplek
3Een slagstokEen hamersteel, een stuk waterleiding, een zware tak
4HandschoenenTwee plastic zakken over je handen, daarna lang wassen met zeep; nooit met wondjes aan een dier zitten
5Een fretEen kastval bij de holuitgang en geduld. Rook of gas in een hol gebruik je niet: dat is dierenleed en geeft brandgevaar
6KoelingDezelfde dag koken, de rest zouten of roken
7Vet bij konijnSpek, olie, noten, eikelmeel, vis

Achtergrond

Dieren lopen vaste paden omdat die veilig bleken, en ze houden de kop laag waar het pad nauw is wordt getoetst. Een strik benut die gewoonte. Een lus die om de nek trekt, sluit de bloedvaten en de luchtpijp af; bij een gewone strik duurt dat minuten en gaat het vaak mis doordat de lus om de buik of een poot valt wordt getoetst. Een valgewicht doodt door kracht op de schedel of de romp, en werkt alleen als het zwaar genoeg is en recht valt wordt getoetst. Een harde klap op de kop beschadigt de hersenen ernstig; uitbloeden daarna zorgt dat het dier niet bijkomt.

Bacteriën als Francisella (tularemie) en Leptospira dringen door kleine wondjes en slijmvliezen binnen; daarom zijn handschoenen en een ongeschonden huid zo belangrijk wordt getoetst. Goed garen doodt ze wordt getoetst, invriezen doodt Francisella niet. Konijnenvlees bevat weinig vet, en het lichaam kan maar een beperkte hoeveelheid eiwit per dag verwerken; daardoor is een dieet van alleen mager wild op den duur schadelijk wordt getoetst.

Bewijs: het wettelijke verbod op strikken, klemmen en lijm A (wettekst via iplo.nl). Tularemie en leptospirose als risico en handschoenen plus gaar koken als voorzorg A (RIVM). Klap op de kop bij konijnen tot 5 kilo als noodmethode B (EU-verordening). Nekbreuk bij konijnen C. Plaatsing op wissels, geurbeperking en val- en striktypes C (militair overlevingshandboek). Opbrengstcijfers en "konijnenhonger" D. Doden door verdrinking of laten liggen D.

Volgende niveau

Op niveau II oefen je nu met wat wel mag: een kastval bouwen en afstellen in de tuin op ratten en muizen (06.11 Luizen, vlooien, muggen en ratten), sporen lezen (VK.F07 Sporen lezen), een konijn villen en uitbenen van een gekocht dier (03.09 Slachten, uitbenen en delen) en het hele dier benutten (03.10 Het hele dier benutten). Leer de knopen die je nodig hebt (VK.A03 Paalsteek, VK.A04 Mastworp). Op niveau III zoek je zolang het kan een jager of jachtopzichter die je het fretteren en het werken met kooivallen leert, en bouw je een konijnenhok (13.11 Kippen en konijnen): tam konijn levert meer dan elk strikkenveld.

Controlelijst

  • Ik weet dat strikken, klemmen en lijm in gewone tijden verboden zijn, ook het bezit buiten gebouwen.
  • Ik kies een kooi of kastval boven een strik en zet nooit gif.
  • Ik herken een wissel, een hol en keutels en zet een val alleen op een echt loopspoor.
  • Ik licht elke val twee keer per dag en haal hem weg als ik stop.
  • Ik dood een konijn met één klap achter de oren en laat het uitbloeden; ik pak geen levend dier met blote handen.
  • Ik vil met handschoenen, eet geen dier dat ziek leek en kook wild door en door.
  • Ik geef honden geen rauwe ingewanden en begraaf afval ver van het kamp.
  • Ik reken op vangen als aanvulling, niet als basis, en eet vet en koolhydraten naast mager wild.

Verantwoording

Niet met een primaire bron onderbouwd en daarom gemarkeerd: draaddikte, lusmaten en valgewicht, gewicht en vleesopbrengst van een konijn, myxomatose en RHD, wormen en eetbaarheid van ratten, ziekten van stadsduiven, lintworm bij vossen en honden, de vangstkans per strik, "konijnenhonger", de jachtakte voor konijn en houtduif, de voortplantingstijd van konijnen, de methoden voor duif en rat en de doodcontrole. Getoetst door: nog niet.

Open in de app en bewaar offline