Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Onderdak, vuur & warmte
  4. Brand voorkomen en blussen

Hoofdstuk · Onderdak, vuur & warmte

Brand voorkomen en blussen

Zonder brandweer is elke brand jouw brand

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · Nooit doen

  • Gooi nooit water op brandend vet, olie of benzine.
  • Open nooit de deur van een kamer waarachter het brandt zonder eerst aan de deur te voelen.
  • Ga nooit terug naar binnen als je eenmaal buiten bent.
  • Steek nooit een tegenvuur aan om een bosbrand te stoppen. Dat vraagt jaren ervaring; een leek steekt er vaak een tweede brand mee aan.
  • Laat kinderen nooit alleen met kaarsen, lucifers of een brandende kachel.
Drie buren schoffelen een brede strook kale zandgrond tussen bakstenen huizen en de heide; langs een vijver staan emmers klaar en in de verte hangt rook.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

Als de stroom wegvalt, komt het vuur het huis in: kaarsen, olielampen, kachels, kookvuren en een voorraad brandstof. Tegelijk valt de brandweer weg en vaak ook de druk op de waterleiding. Een brand die je in de eerste minuut niet dooft, kost je meestal het hele huis, en in een rij huizen vaak de hele straat.

Als er nog hulp is Bel de brandweer zodra je een brand ziet die je niet binnen een minuut onder controle hebt, en blus pas als je vluchtweg vrij is. Laat na een schoorsteenbrand de schoorsteen keuren voordat je weer stookt.

Eerst doen

  1. Wijs per huis één plek aan voor open vuur en één voor kaarslicht, en verbied vuur op alle andere plekken.
  2. Zet naast elke vuurplek een volle emmer water en een emmer droog zand of aarde.
  3. Leg in de keuken een deksel klaar die op je grootste pan past, en een blusdeken als je die hebt.
  4. Hang de rookmelders terug en vul ze aan met melders en batterijen uit leegstaande huizen.
  5. Spreek met iedereen een vluchtweg per kamer af en één verzamelplek buiten.
  6. Haal benzine, lampolie, alcohol en gasflessen uit het woonhuis naar een schuur op minstens 10 meter afstand.

Wat je nodig hebt

  • Emmers: minstens drie per huis, liefst metaal of stevig plastic van 10 liter, altijd gevuld.
  • Droog zand of zeefaarde in een emmer met een schep erin.
  • Een blusdeken, of een wollen deken die je voor dit doel apart houdt.
  • Jutezakken of oude wollen dekens om nat te maken voor buitenbranden.
  • Brandblussers uit auto's, caravans, kantoren, scholen en boten. Kijk of de wijzer in het groene veld staat.
  • Een plantenspuit of rugsproeier van 5 tot 15 liter voor kleine vlammen en vonken.
  • Een metalen emmer met deksel voor as.
  • Rookmelders en koolmonoxidemelders, met reservebatterijen.
  • Een ladder om bij dak en schoorsteen te komen, en een touw als noodvluchtlijn (09.13 Knopen en sjorringen).
  • Gereedschap voor buiten: spade, schoffel, hark, bijl en een lange haak om brandend materiaal weg te trekken.

Werkwijze

Waarom het aantal branden explodeert

Na grote stroomstoringen, stormen en aardbevingen stijgt het aantal woningbranden steeds sterk wordt getoetst. De oorzaken zijn bijna altijd dezelfde. Kaarsen staan te dicht bij gordijnen of vallen om. Theelichtjes smelten een plastic ondergrond. Olielampen worden bijgevuld terwijl ze nog branden. Mensen zetten een kachel neer zonder vrije ruimte, of voeren een kachelpijp door een houten plafond. Hete as gaat in een plastic emmer of in de papiercontainer. Brandstof staat binnen, naast de warmte. Daar komen vermoeidheid, kou, kinderen, alcohol en haast bij. Zie elk vuur binnenshuis daarom als een gevaar dat je beheert, niet als een gemak.

Vuurregels voor het huis

  1. Laat een kaars of lamp nooit branden in een lege kamer of in een kamer waar iemand slaapt.
  2. Houd 30 centimeter vrij rond een kaars en 1 meter erboven. Zet hem op een bord of in een pot met een laag zand.
  3. Vul olielampen buiten bij, als ze koud zijn. Gebruik alleen lampolie of paraffine, nooit benzine.
  4. Houd rond een kachel 1 meter vrij van brandbaar materiaal, of de afstand die op het typeplaatje staat als die groter is.
  5. Leg voor de kachel een onbrandbare plaat van minstens 50 centimeter diep: steen, tegels of metaal.
  6. Bewaar as minstens drie dagen in een metalen emmer met deksel, buiten en op steen, voordat je hem gebruikt wordt getoetst. As kan dagenlang nagloeien.
  7. Doe een avondronde: kaarsen uit, kookvuur gedoofd, kachel klein en veilig, brandhout minstens 1 meter van de kachel.
  8. Laad accu's alleen overdag en onder toezicht, op steen, nooit in de slaapkamer of op de vluchtweg.
  9. Rook nooit binnen. Een smeulende sigaret in een matras of bank is een klassieke nachtbrand.

Vuurregels voor de gemeenschap

  1. Richt per straat of blok een bluspost in: tien gevulde emmers, een ton water, zand, twee blusdekens, natte zakken, een ladder en de blussers die je vindt.
  2. Breng alle waterbronnen in kaart: regentonnen, zwembaden, vijvers, sloten, grachten, kelders met water. Hang de kaart bij de bluspost.
  3. Spreek een brandsignaal af dat iedereen kent, bijvoorbeeld een bel of drie lange stoten op een fluit (14.09 Signalen afspreken en geven).
  4. Laat bij nacht één persoon brandwacht lopen, in rooster met de nachtwacht (15.11 Wacht lopen en waarschuwen).
  5. Verbied buitenvuur bij windkracht 5 of meer en in droge periodes.
  6. Sla brandstof gezamenlijk op, in één stenen schuur of container buiten de bebouwing.
  7. Oefen elke drie maanden een emmerketen (VK.C01 Een emmerketen opzetten) en een ontruiming.

Blusmiddelen klaarzetten

Zet blusmiddelen bij de uitgang van de kamer, niet naast het vuur zelf. Brandt het vuur, dan moet je ernaartoe kunnen lopen met je rug naar de deur. Controleer elke maand of de emmers vol zijn; water verdampt, zeker in de zomer.

№MiddelWaarvoorLet op
1Emmer waterHout, papier, textiel, grasGooi op de basis van de vlammen, niet op de rook
2Zand of aardeKleine vloeistofbranden, vonken, gemorste brandstofMoet droog zijn; nat zand kan spatten op hete olie
3BlusdekenPannenbrand, brandende kleding, kleine vurenNa gebruik niet meer betrouwbaar, vervang of was hem
4Natte jutezakGras, struiken, vonken op het erfDompel hem helemaal onder, sla en druk, niet zwaaien
5Poederblusser ABCVaste stof, vloeistof, gas, elektrische apparatenEen blusser van 6 kilo is in 15 tot 20 seconden leeg wordt getoetst
6SchuimblusserVaste stof en vloeistofNiet op apparaten onder spanning
7CO2 blusserElektrische apparaten, kleine vloeistofbrandenKoelt weinig, vuur kan terugkomen; niet in kleine dichte ruimte gebruiken
8PlantenspuitVonken, kleine vlammen in gras, nablussenVul hem en zet hem bij elk buitenvuur

Soorten brand en wat je wel en niet gebruikt

Elke brand heeft warmte, brandstof en zuurstof nodig. Je blust door één van die drie weg te nemen. Water neemt warmte weg, een deken of deksel neemt zuurstof weg, en een brandgang neemt brandstof weg. Welk middel past, hangt af van wat er brandt.

№Wat brandtVoorbeeldWelNooit
1Vaste stofHout, papier, textiel, stroWater, zand, deken, poederTe laat beginnen: binnen 3 minuten staat een kamer in brand wordt getoetst
2Vet en oliePan, frituur, vetbak van de barbecueDeksel, blusdeken, warmte uitWater, meel, een druipnatte doek
3Brandbare vloeistofBenzine, lampolie, alcohol, verfZand, aarde, poeder, schuim, afdekkenWater: dat verspreidt de brandende vloeistof
4GasGasfles, gasstel, lekkende leidingKraan dicht, daarna blussenDe vlam doven terwijl gas blijft stromen
5ElektriciteitOmvormer, zonnepaneel, kabel, accuSpanning eraf, dan CO2 of poederWater op delen die nog onder spanning staan
6LithiumaccuAccu van elektrische fiets, powerbankNaar buiten als het kan, veel water om de omgeving te koelenRook inademen, dichtbij blijven: hij kan opnieuw ontbranden

Zonnepanelen blijven bij daglicht spanning leveren, ook als je de omvormer uitzet. Spuit nooit met een straal water op een brandend dak met panelen. Blus van een afstand met een sproeinevel, of laat dat deel gaan en bescherm de rest (10.05 Zonnepanelen loskoppelen van het net).

Brand in huis: de eerste minuut

  1. Roep "brand" zo hard je kunt en noem de plek.
  2. Kijk of de brand kleiner is dan een prullenbak. Zo ja: blus meteen. Zo nee: ga eruit.
  3. Blus met je rug naar de uitgang, laag en op de basis van de vlammen.
  4. Stop na één blusser of drie emmers als het vuur niet duidelijk kleiner wordt. Ga dan naar buiten en sluit de deur achter je.
  5. Controleer na het blussen een uur lang elke tien minuten of het niet opnieuw smeult. Voel met de rug van je hand aan muren en plafond.

Emmerketen en pannenbrand

Een rij mensen die emmers doorgeeft, haalt veel meer water dan één persoon die heen en weer loopt (VK.C01 Een emmerketen opzetten). Staat een huis in volle brand, gebruik de keten dan om de buurhuizen nat te houden. Een brandende pan vet is de gevaarlijkste brand in de keuken: één kopje water erop geeft een vuurbal tot aan het plafond. Smoor hem (VK.C02 Een vetbrand blussen).

Schoorsteenbrand

Hout dat niet droog is, laat teer en roet achter in de schoorsteen. Dat kan zelf gaan branden, met vlammen boven uit de schoorsteen en een hitte die balken naast het rookkanaal laat smeulen. Voorkom het met droog hout (05.15 Bijl, zaag en brandhout) en veeg de schoorsteen minstens eenmaal per stookseizoen, bij veel stoken elke drie maanden wordt getoetst. Wat je doet als het toch gebeurt, staat op VK.C03 Een schoorsteenbrand aanpakken.

Rook en vluchten

Rook doodt meer mensen dan vuur. Een paar ademhalingen dikke rook van brandend plastic en schuim kunnen je al bewusteloos maken wordt getoetst. Vlucht daarom vroeg en volg deze regels.

  1. Slaap met de slaapkamerdeur dicht. Een gesloten binnendeur houdt rook en vuur minuten tegen.
  2. Voel aan een deur met de rug van je hand voordat je hem opent. Is hij heet, gebruik dan een andere weg.
  3. Kruip onder de rook door. Op 30 centimeter boven de vloer is de lucht het schoonst.
  4. Sluit elke deur achter je.
  5. Kun je niet weg, sluit dan de deur, prop natte doeken in de kieren en roep of zwaai vanaf het raam.
  6. Tel op de verzamelplek de mensen. Ga nooit terug naar binnen voor spullen.

Brandgang tussen gebouwen

In een rij huizen springt vuur over via de zolder, het dak, schuttingen en houtstapels. Woningbouw met houten zoldervloeren en een gezamenlijke kap brandt soms als één geheel. Je kunt dat niet altijd stoppen, wel vertragen.

  1. Houd tussen vrijstaande gebouwen 10 meter vrij van brandbaar materiaal: houtstapels, schuurtjes, auto's, coniferenhagen.
  2. Stapel brandhout nooit tegen de gevel. Houd minstens 5 meter afstand wordt getoetst.
  3. Sluit bij brand in de buurt alle ramen, luiken en zolderluiken aan de kant van het vuur.
  4. Houd de gevel, het dak en de dakgoot van het buurhuis nat met emmers of een plantenspuit, vooral waar vonken neerkomen.
  5. Haal brandbare spullen weg die tussen het brandende huis en het volgende staan.
  6. Overweeg alleen bij een hele straat in gevaar om een tussenliggende schuur of schutting af te breken. Doe dat voordat het vuur er is, nooit eronder.

Brandgang in droog gras en struikgewas

Een brandgang is een strook zonder brandstof, zodat een vuur er niet overheen kan lopen. Leg hem aan voordat het voorjaar droog wordt, rond je huis, je moestuin en je voorraad. In kort gras is 3 meter vaak genoeg; bij struikgewas en riet heb je minstens twee keer de hoogte van de vlammen nodig die je verwacht wordt getoetst. De werkwijze staat op VK.C04 Een brandgang maken.

Droogte en natuurbrand

Natuurbranden ontstaan vooral in droge voorjaren en zomers, op heide, in duinen, in naaldbos en in veengebieden. Zolang er hulp is, volg je de fase van het natuurbrandrisico: in fase 2 mag je hoogstwaarschijnlijk niet meer stoken, ook niet met een ontheffing (Brandweer). Na een ineenstorting blijft het gevaar, maar de bluswagens en blushelikopters zijn weg. Dennen, heide en droog gras branden explosief, en harde wind jaagt het vuur op. Huizen die tegen bos of heide aan liggen, staan op de slechtste plek.

  1. Houd rond elk huis een veilige zone. Maak de eerste 10 meter vrijwel kaal: geen droog gras, geen hout, geen kussens of rieten matten. Dun van 10 tot 30 meter het struikgewas uit en snoei bomen tot 2 meter boven de grond wordt getoetst.
  2. Houd 3 meter tussen de kruinen van bomen in die zone, zodat vuur niet van kroon naar kroon springt wordt getoetst.
  3. Veeg dakgoten leeg. Dennennaalden in een goot zijn een lont.
  4. Gebruik sloot, vijver of zwembad als bluswater. Zet een pomp of een emmerketen klaar.
  5. Stook in droge periodes alleen in een gemetselde vuurplaats of een raketkachel (05.11 Een raketkachel bouwen), nooit bij wind, en met water ernaast.
  6. Spreek een vluchtroute af die niet door het bos loopt, en een vertrekmoment. Vertrek als je rook ziet aan de kant van de wind, niet als je vlammen ziet. Veen kan weken ondergronds blijven smeulen. Graaf daar een sloot of greppel tot op natte grond om het vuur te stoppen.

Als een bosbrand je inhaalt

  1. Vlucht dwars op de windrichting, niet met de wind mee.
  2. Vlucht nooit een helling op. Vuur loopt bergop veel sneller dan jij; op een steile helling twee tot vier keer zo snel als op vlak land wordt getoetst.
  3. Zoek kale grond, een natte sloot, een geploegd veld, een parkeerplaats of al verbrand terrein.
  4. Bedek huid met katoen of wol, nooit met kunststof, en adem door een natte doek.
  5. Ben je in een stenen huis en is vluchten te laat, blijf dan binnen. Sluit ramen en luiken, zet water klaar, ga weg van de ramen. Het vuurfront trekt meestal in 5 tot 15 minuten voorbij wordt getoetst. Ga daarna naar buiten en blus vonken en kleine vuren rond het huis.
  6. Blijf nooit in een auto in begroeiing staan. Rijd alleen weg als de weg vrij en zichtbaar is.

Zo weet je dat het werkt

  • Elke vuurplek heeft binnen twee passen water en zand, en iedereen weet waar.
  • Iedereen in huis kan in het donker de vluchtweg vinden en de verzamelplek noemen.
  • De emmerketen draait binnen vijf minuten na het brandsignaal.
  • Rond huis en voorraad ligt in voorjaar en zomer een brandgang, en er ligt geen hout tegen gevels.
  • De schoorsteen is geveegd en de roetlaag is dunner dan 3 millimeter wordt getoetst.

Zo weet je dat het misgaat

  • Er ligt nog as, roet of gesmolten was op vreemde plekken. Iemand gaat slordig met vuur om. Bespreek het meteen en wijs één persoon aan die de avondronde doet.
  • De rookmelder piept kort of zwijgt bij een test. De batterij is leeg. Vervang hem dezelfde dag, desnoods met een batterij uit een ander apparaat.
  • De kachel gromt, de pijp wordt rood of er komen vonken uit de schoorsteen. Dat is een schoorsteenbrand. Volg VK.C03.
  • Het blussen maakt het vuur niet kleiner na een blusser of drie emmers. Stop. Ga eruit, sluit de deur en zet je in voor de buren.
  • Je ruikt rook maar ziet niets. Er smeult iets in een muur, vloer of zolder. Voel aan wanden en plafond, open voorzichtig, en houd water klaar.
  • De emmers staan leeg of vol bladeren. De discipline zakt weg. Maak het vullen een vaste taak in het rooster (15.02 Taken verdelen).

Gevaar · Nooit doen

  • Gooi nooit water op brandend vet, olie of benzine.
  • Open nooit de deur van een kamer waarachter het brandt zonder eerst aan de deur te voelen.
  • Ga nooit terug naar binnen als je eenmaal buiten bent.
  • Steek nooit een tegenvuur aan om een bosbrand te stoppen. Dat vraagt jaren ervaring; een leek steekt er vaak een tweede brand mee aan.
  • Laat kinderen nooit alleen met kaarsen, lucifers of een brandende kachel.

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1BlusdekenPandeksel, bakplaat, natte en goed uitgewrongen wollen deken
2BrandblusserEmmers water, droog zand, plantenspuit, tuinslang met regenton en hevel
3RookmelderEen brandwacht bij nacht; een rookmelder uit een leeg huis of bedrijf
4ZandDroge aarde, kattenbakkorrels, potgrond zonder kunstmest, as die helemaal koud is
5JutezakOude wollen deken, tak met loof, natte jas aan een stok
6EmmersPannen, kookpotten, kratten met plastic zak, laarzen, jerrycans met afgezaagde bovenkant
7WaterdrukZwembad, regenton, sloot, kelder; een handpomp of een emmer aan een touw

Achtergrond

Vuur is een chemische reactie die zichzelf in stand houdt zolang er warmte, brandstof en zuurstof zijn: de branddriehoek. Water blust vooral door af te koelen. Eén liter water dat verdampt, neemt veel warmte op en wordt ongeveer 1.700 liter stoom wordt getoetst. Op een houtvuur is dat precies wat je wilt. Op brandende olie gaat het mis. De olie is veel heter dan 100 graden, het water zakt naar de bodem van de pan, kookt in een fractie van een seconde en slingert de brandende olie als nevel de lucht in. Die nevel heeft een enorm oppervlak en ontsteekt in één keer. Daarom smoor je een vetbrand en blus je hem niet. Rook is gevaarlijk omdat hij koolmonoxide bevat en bij brandend plastic en schuim ook blauwzuur. Die gassen nemen de plaats van zuurstof in je bloed in of blokkeren het gebruik ervan. Daarom ben je in rook al na weinig ademhalingen in de war. Vuur loopt sneller bergop omdat de vlammen de begroeiing boven zich voorverwarmen en drogen. Daarom is een helling met struikgewas boven je huis gevaarlijker dan een vlakte ernaast.

Volgende niveau

Vorm per wijk een blusploeg met vaste leden, een leider en een oefenrooster. Bouw of herstel een handbediende brandspuit of een motorpomp met slangen uit een brandweerkazerne of bedrijfshal. Leg bij een gemeenschapscentrum een waterreservoir aan van minstens 10.000 liter wordt getoetst. Herbouw met onbrandbare materialen: pannen of leien in plaats van riet, stenen schoorstenen met een rookkanaal van gebakken klei, een brandmuur tussen woningen (12.03 Muren en draagconstructies). Maak een seizoenskalender voor brandgangen en het vegen van schoorstenen (12.09 Onderhoud plannen).

Controlelijst

  • Bij elke vuurplek staan water en zand binnen twee passen.
  • Brandstof en gasflessen staan buiten, minstens 10 meter van het woonhuis.
  • Er hangen werkende rookmelders, en er is een brandwacht bij nacht.
  • Iedereen kent het brandsignaal, de vluchtweg en de verzamelplek.
  • Er is een pandeksel en een blusdeken in de keuken.
  • De schoorsteen is dit seizoen geveegd.
  • Rond huis en voorraad ligt in droge periodes een brandgang.
  • De emmerketen is dit kwartaal geoefend.

Verantwoording

Gebaseerd op voorlichting van brandweerorganisaties in Nederland over woningbrand, pannenbrand en schoorsteenbrand; de Europese indeling van brandklassen voor blusmiddelen; voorlichting van de Brandweer over het natuurbrandrisico (brandweer.nl/natuurbrandrisico); en gangbare praktijk uit de bestrijding van natuurbranden. Getoetst door: nog niet.

Open in de app en bewaar offline