Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Navigatie, communicatie & vervoer
  4. Veilig op en in het water

Hoofdstuk · Navigatie, communicatie & vervoer

Veilig op en in het water

Verdrinking voorkomen, zwemmen leren, slim varen

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · Twee drenkelingen

  • Spring nooit zomaar achter iemand aan. Een drenkeling in paniek klimt op je en duwt je onder.
  • Zwem nooit bij een stuw, sluis of krib.
  • Koud water is gevaarlijker dan diep water. Wacht niet tot je het voelt.
Een vrouw houdt een kind dat als een ster op de rug drijft lichtjes onder de rug in een ondiepe rivier; op de oever staat een man met een stok en een werplijn.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

In Nederland verdrinken elk jaar 100 tot 150 mensen per ongeluk, meer dan de helft in een sloot, rivier, kanaal of gracht. Als het water uit de kraan wegvalt, gaan mensen vaker naar het water: om te halen, te wassen, te vissen en te varen. Er is dan geen strandwacht en geen ambulance. Verdrinken gaat snel en bijna geluidloos.

Als er nog hulp is Laat iedereen in huis nu zwemmen en reddend zwemmen leren, zolang er zwembaden en lessen zijn. Bel bij een drenkeling direct het alarmnummer en begin met reanimeren.

Eerst doen

  1. Maak een lijst van wie kan zwemmen en wie niet. Begin met lessen voor wie het niet kan.
  2. Leg bij elke plek waar je water haalt of werkt een reddingsmiddel: een lange stok en een lijn met een drijver eraan.
  3. Spreek af: niemand alleen aan of op het water. Kinderen onder de vijf jaar zijn altijd binnen armlengte van een volwassene.
  4. Dek putten, regentonnen en emmers af. Zet een hek om vijvers en sloten waar kleine kinderen spelen.
  5. Leer iedereen de volgorde van redden: reiken, werpen, varen, en pas als laatste zelf gaan.
  6. Draag bij elke tocht op het water een drijfmiddel, ook als je goed kunt zwemmen.

Wat je nodig hebt

  • Lange stokken of bezemstelen, een lijn van 15 tot 20 meter met een drijver aan het eind.
  • Zwemvesten of geïmproviseerde drijfmiddelen (zie onder).
  • Een plek met ondiep, rustig water en een vlakke instap om les te geven.
  • Een fluit voor elke begeleider (zie VK.F03 Fluitsignalen).

Werkwijze

Verdrinking herkennen

Iemand die verdrinkt, roept niet en zwaait niet. Het lichaam gebruikt alle kracht om adem te halen. Je ziet:

  • Het hoofd laag in het water, mond op het wateroppervlak, hoofd naar achteren.
  • Rechtop in het water, zonder zichtbare beenslag, alsof iemand een ladder op klimt.
  • Armen die zijwaarts op het water drukken.
  • Glazige ogen, haren voor het gezicht. Dit duurt 20 tot 60 seconden. Daarna zakt iemand weg. Een kind dat ineens stil is in het water: ga direct kijken. Vraag "Gaat het?" Krijg je geen antwoord, haal het kind er dan meteen uit.

Kleine kinderen beschermen

Kinderen onder de vijf verdrinken vooral dicht bij huis: in een sloot, een vijver, een regenton, zelfs een emmer. Een peuter kan verdrinken in een paar centimeter water wordt getoetst. Hij valt voorover en komt niet meer overeind.

  1. Zet deksels op tonnen en putten, emmers ondersteboven als ze leeg zijn.
  2. Zet een hek van 1 meter hoog met een klink die een kind niet bereikt om water dat aan een speelplek grenst.
  3. Wijs bij elke activiteit aan het water één volwassene aan die alleen op de kinderen let en niets anders doet.

Zwemmen leren aan kinderen

Leer eerst overleven, dan pas mooi zwemmen. Geef les in ondiep water van minstens 20 °C wordt getoetst, 20 tot 30 minuten per keer, met één begeleider op twee of drie kinderen.

  1. Laat het kind wennen: water over de schouders gieten, spatten, lopen in heuphoog water.
  2. Leer uitademen onder water: bellen blazen door neus en mond, tot tien tellen.
  3. Leer drijven op de rug als een ster: armen en benen wijd, buik omhoog, oren in het water. Houd eerst het hoofd vast, later alleen een vinger onder de rug.
  4. Leer omdraaien van buik naar rug, zodat het kind altijd kan gaan liggen en ademen.
  5. Leer voortbewegen: eerst rugslag met alleen benen, dan schoolslag.
  6. Leer watertrappen: rechtop blijven met de handen en de benen, een halve minuut, dan een minuut.
  7. Leer te water gaan met de voeten eerst en eruit klimmen aan een kant zonder trap.
  8. Oefen met kleren en schoenen aan. Dat voelt heel anders. Het kind is waterveilig als het in kleren in diep water kan vallen, een minuut kan drijven, 25 meter kan zwemmen en zelf op de kant kan klimmen wordt getoetst.

Zwemmen leren aan volwassenen

Volwassenen hebben vaak angst. Neem die serieus. Begin in water waar ze kunnen staan. Laat ze zelf het tempo kiezen. Leer eerst uitademen en drijven, zoals bij kinderen. Een volwassene drijft meestal makkelijker dan hij denkt, vooral met lucht in de longen. Oefen elke dag kort in plaats van één keer lang.

Koud water

Water onder 15 °C is gevaarlijk, ook voor goede zwemmers. In Nederland is buitenwater in de winter 2 tot 6 °C en in de zomer zelden warmer dan 22 °C. Bij een val in koud water hap je naar adem en hijg je een minuut lang. Wie dan kopje onder gaat, slikt water. Na ongeveer 10 minuten worden armen en benen stijf. Onderkoeling volgt pas na een half uur of langer. Werk dit uit met VK.E02 Overleven in koud water.

Stroming

  • Rivieren: de Waal en de Maas stromen vaak harder dan een mens kan zwemmen. Bij de kop van een krib draait het water rond en wordt het ineens diep. Een voorbijvarend schip zuigt eerst water weg van de oever en stuurt het daarna als een golf terug.
  • Sluizen: bij het vullen en legen ontstaan onder water sterke zuigstromen bij de deuren. Zwem nooit in of bij een sluis.
  • Stuwen en overlaten: achter een stuw rolt het water in een wals terug naar de stuw. Wie erin valt, wordt steeds weer onder water getrokken. Blijf er minstens 50 meter vandaan wordt getoetst.
  • Zee: een mui is een smalle stroom van het strand af. Zwem er niet tegenin. Laat je drijven of zwem evenwijdig aan het strand tot je eruit bent, en dan pas terug.
  • Aflandige wind: oostenwind aan de Noordzeekust kan een opblaasboot of zwemmer in minuten de zee op blazen wordt getoetst.

Kanoën, roeien en bootjes

  1. Draag altijd een drijfmiddel.
  2. Stap in het midden in en houd drie steunpunten: twee handen en een voet, of twee voeten en een hand.
  3. Leg zware lading laag en in het midden. Sta nooit op.
  4. Blijf in koud water dicht bij de kant: nooit verder dan je in die temperatuur kunt zwemmen.
  5. Sla je om, blijf dan bij de boot. Een omgeslagen boot drijft en is beter te zien dan een hoofd.
  6. Vaar niet bij harde wind, onweer of mist, en niet in het donker.
  7. Zeg altijd tegen iemand op de kant waar je heen gaat en wanneer je terug bent. Zie VK.E06 Roeien en een roeiboot sturen en VK.E05 Een vlot bouwen van vaten of flessen.

Reddingsmiddelen improviseren

Een liter lucht onder water tilt een kilo. Een volwassene heeft ongeveer 4 tot 5 kg extra drijfvermogen nodig om rustig met het hoofd boven water te liggen wordt getoetst. Een gekocht drijfhulpmiddel geeft 5 kg, een zwemvest 10 tot 15 kg of meer.

  • Een lege jerrycan van 5 liter met dop: 5 kg drijfvermogen. Knoop er een lijn aan.
  • Twee flessen van 2 liter, aan elkaar geknoopt: 4 kg, goed om onder de armen te klemmen.
  • Een opgepompte binnenband van een auto of tractor: een reddingsboei voor twee.
  • Een koelbox, een bal, een stuk piepschuim, een houten deur.
  • Een werplijn: een fles voor een kwart gevuld met water aan het eind van een lijn van 15 meter. Het water geeft gewicht bij het gooien, de lucht houdt hem drijvend.

Zo weet je dat het werkt

  • Iedereen in je groep weet wie kan zwemmen en wie niet.
  • Bij elke waterplek hangt een stok en een lijn met drijver.
  • Kinderen halen de proef: vallen in kleren, een minuut drijven, 25 meter, zelf eruit.
  • Niemand gaat alleen het water op, en dat gebeurt zonder discussie.

Zo weet je dat het misgaat

  • Iemand springt in het water om een ander te redden: roep hem terug en gooi beide iets dat drijft. Oefen de volgorde opnieuw met de hele groep.
  • Kinderen spelen zonder vaste toezichthouder bij water: stop het spel en wijs iemand aan.
  • Een boot gaat zonder drijfmiddelen het water op: laat hem terugkomen. Geen uitzonderingen.
  • Iemand is uit het water gehaald en hoest, is benauwd of suf: houd hem acht uur in de gaten, rechtop en warm wordt getoetst. Zie 07.16 Acute noodgevallen.

Gevaar · Twee drenkelingen

  • Spring nooit zomaar achter iemand aan. Een drenkeling in paniek klimt op je en duwt je onder.
  • Zwem nooit bij een stuw, sluis of krib.
  • Koud water is gevaarlijker dan diep water. Wacht niet tot je het voelt.

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1ZwemvestJerrycan, flessen, binnenband, koelbox, opgeblazen broek met dichtgeknoopte pijpen wordt getoetst
2WerplijnWaslijn, sleepkabel, aan elkaar geknoopte kleding
3ReikstokBezemsteel, tak, ladder, peddel, roeiriem, een kledingstuk dat je toewerpt en vasthoudt
4ZwembadEen rustige zandoever met een vlakke bodem, in de zomer
5ToezichtEen vast rooster met namen, bij elke activiteit

Achtergrond

Verdrinken is stikken door water. Zodra de mond onder water komt, houdt het lichaam de adem in. Dan volgt een reflex om toch te ademen, en komt er water in de luchtwegen. Omdat al die kracht naar ademen gaat, kan een drenkeling niet roepen of zwaaien. Daarom zie je het vaak niet. Koud water werkt anders. De huid voelt de kou en het lichaam reageert met een diepe hap naar adem en minutenlang hijgen. Dat is de koudeshock. Pas veel later koelt de kern af. Wie de eerste minuut rustig blijft drijven, heeft daarna tijd om na te denken. Lucht in een fles of band duwt water weg. Het water duwt terug met een kracht die gelijk is aan het gewicht van het weggeduwde water. Zo werkt elk drijfmiddel.

Volgende niveau

  • Richt een zwemschool op met vaste lesdagen in de zomer en een proef voor elk kind.
  • Train een reddingsploeg die reddend zwemmen, reanimatie en ijsredding beheerst.
  • Leg bij havens en kades ladders, ringen en lijnen op vaste plekken.
  • Maak een kaart van de gevaarlijke plekken in de omgeving: stuwen, sluizen, muien, steile oevers.

Controlelijst

  • Ik weet wie in mijn groep wel en niet kan zwemmen.
  • Bij elke waterplek ligt een stok en een lijn met drijver.
  • Putten, tonnen en vijvers zijn afgedekt of omheind.
  • Ik herken een drenkeling: stil, rechtop, hoofd achterover.
  • Ik ken de volgorde: reiken, werpen, varen, gaan.
  • Niemand vaart zonder drijfmiddel of zonder dat iemand op de kant het weet.
  • Ik blijf weg bij stuwen, sluizen en kribben.

Verantwoording

Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over verdrinkingen; richtlijnen van de Reddingsbrigade, het Rode Kruis en de Engelse reddingsdienst over koud water en drijven; onderzoek naar de instinctieve verdrinkingsreactie; voorlichting over muien en zwemveiligheid. Getoetst door: nog niet.

Open in de app en bewaar offline