Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Navigatie, communicatie & vervoer
  4. Karren en lastdieren

Hoofdstuk · Navigatie, communicatie & vervoer

Karren en lastdieren

Handkar, bakfiets, ezel en paard: rekenen voordat je laadt

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · Kar op een helling Een losgeschoten kar doodt. Loop nooit vóór of onder een geladen kar bergaf. Leg bij stilstaan altijd een blok achter een wiel. Vier een zware kar op steile stukken af aan een touw om een boom wordt getoetst. Zet nooit een lichaamsdeel tussen kar en muur. Werk je onder een kar, ondersteun hem dan met blokken (VK.L06 Een last veilig opkrikken en ondersteunen met blokken).

Gevaar · Dier en tuig Een schrikkend dier met een kar overrijdt mensen. Laat een aangespannen dier nooit alleen staan en werk met een helper aan het hoofd. Wikkel nooit een touw om je hand. Hitte en zwaar werk samen kunnen een dier doden: stop bij zwaar hijgen of als het zweten plots ophoudt wordt getoetst.

Een vrouw leidt een stevig paard met twee zakken over een zandpad langs de heide, gevolgd door een oudere man.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

Zonder brandstof sleep je alles zelf: water, hout, oogst, mest, gewonden. Op wielen verplaats je veel meer dan je kunt dragen. Maar een kar die losschiet op een helling kan iemand doden, en een ezel met open wonden werkt niet meer. Wie eerst rekent, kiest het kleinste vervoer dat het werk aankan.

Als er nog hulp is Leer mennen en pakken bij een menvereniging, manege of ezelhouder, en laat tuig passen door iemand die het kan. Haal assen, wielen en lagers uit wrakken zolang je ze nog kunt vervoeren.

Eerst doen

  1. Schrijf op wat je moet vervoeren, hoeveel kilo en hoe vaak. Water weegt 1 kilo per liter.
  2. Loop de route en noteer breedte, ondergrond en het steilste stuk (14.03 Routes voorbereiden).
  3. Reken de trekkracht uit met de tabel hieronder, voordat je iets bouwt.
  4. Kies dan pas: handkar, bakfiets, kar met dier of pakdier.
  5. Neem alleen een dier als je voer en water voor een heel jaar kunt rekenen (13.10 Dierhouderij begrijpen).
  6. Rijd elke nieuwe kar eerst leeg, dan half vol, en test de rem op een helling.

Wat je nodig hebt

  • Voor een kar: twee of vier gelijke wielen met lagers, een as of chassis, staal of hout voor de bak, vet, sjorband of touw.
  • Uit wrakken: het chassis van een caravan met as en dissel (DK.02 Caravan en camper), wielen en lagers uit een auto (DK.01 De auto), fietswielen (DK.09 De fiets).
  • Voor bergaf: een rem, een blok om achter het wiel te leggen, een stevig touw.
  • Voor een dier: halster, tuig dat op dit dier past, pakzadel met dik kleed, hoefkrabber, emmer.
  • Een schrift voor gewicht, route en wondjes.

Werkwijze

Eerst rekenen: wat kost een last

Trekkracht hangt af van het totale gewicht, de ondergrond en de helling. De tabel geeft de kracht op vlakke grond, in kilo trekkracht per 100 kilo kar plus lading. De getallen gelden vooral voor luchtbanden. Harde, smalle wielen zakken op zachte grond weg en kosten meer wordt getoetst.

№OndergrondRolweerstandKilo trekkracht per 100 kilo
1Beton, goed asfalt0,01 tot 0,021 tot 2
2Gewalst grind, grote kasseien0,02 tot 0,032 tot 3
3Onverharde weg (postkoets, 19e eeuw)0,04 tot 0,07 wordt getoetst4 tot 7
4Los grind, stevig zand, middelharde grond0,04 tot 0,084 tot 8
5Los zand0,2 tot 0,420 tot 40

Op een helling telt elke procent stijging als 1 kilo extra per 100 kilo. Op 8 procent helling (8 meter omhoog op 100 meter) is dat dus 8 kilo per 100 kilo.

Rekenvoorbeeld. Een kar van 300 kilo met lading op een harde zandweg: 300 keer 0,04 is 12 kilo trekkracht. Op 8 procent helling komt daar 24 kilo bij: samen 36 kilo. Op vlak los zand kost dezelfde kar 90 kilo. Zand en helling bepalen wat je kunt, niet het gewicht op een goede weg.

Wat een lijf uren volhoudt, is veel minder dan wat het even kan. Een paard haalt enkele seconden ongeveer 15 keer zijn werkvermogen wordt getoetst.

№WieVolgehouden vermogenTrekkracht bij 3,6 km/u
1Mens, de hele dagOngeveer 70 watt wordt getoetstOngeveer 7 kilo
2Getrainde mens, enkele urenOngeveer 260 watt wordt getoetstOngeveer 25 kilo
3Ezel van 200 kiloGeen bron gevonden20 tot 30 kilo wordt getoetst
4Paard van 500 kiloOngeveer 750 watt wordt getoetst50 tot 75 kilo wordt getoetst

Ezel en paard staan hier op 10 tot 15 procent van hun lichaamsgewicht. Die vuistregel komt uit de praktijk en is niet met een bron bevestigd wordt getoetst. Voor het paard klopt hij wel met 1 pk op wandeltempo.

Een ezel die 25 kilo volhoudt, trekt op een harde zandweg ongeveer 600 kilo. Op 5 procent helling is dat 280 kilo, op 10 procent 180 kilo. Reken altijd met het steilste stuk. In het werk blijf je ruim onder het papier: op een goede weg niet meer dan het eigen gewicht van het dier, kar meegerekend (13.16 Werkdieren: paard, ezel en hond), en op hellingen de helft wordt getoetst.

Handkar en steekwagen

  • Kruiwagen. Eén wiel stuurt goed op planken, smalle paden en scheve grond. Je draagt een deel van de last zelf. Twee wielen staan stabieler op vlakke grond.
  • Handkar met twee wielen. Het werkpaard van een groep. Leg de lading boven of net vóór de as, zodat je aan de greep maar 5 tot 10 kilo voelt wordt getoetst. Met een dwarsbeugel duwen twee mensen samen.
  • Kar met vier wielen. Draagt meer en blijft zelf staan, maar stuurt moeilijk op een smal pad.

Grote wielen rijden makkelijker over stenen en kuilen. Hoeveel dat scheelt, daarover zijn bronnen het oneens. Voor luchtbanden op een harde weg maakt de maat weinig uit. Op slechte paden kies je dus groot en breed wordt getoetst.

Bakfiets

Een bakfiets rijdt sneller dan een handkar en rolt licht: een fietsband op asfalt heeft een rolweerstand van ongeveer 0,004.

  • Een long john, de lage tweewieler met de bak voorin, draagt ongeveer 100 kilo. Een vrachtdriewieler draagt 100 tot 300 kilo en ongeveer 1 kubieke meter wordt getoetst. Kijk wat jouw fiets aankan.
  • Een driewieler kantelt in een snelle bocht en op een scheve weg. Neem bochten stapvoets wordt getoetst.
  • Zware last vraagt sterke wielen en een rem die de hele daling aankan. In heuvels is een bakfiets alleen bruikbaar op flauwe wegen. Voor remwarmte en fietskarren zie 14.12 De fiets als ruggengraat.

Wielen en assen

Bouw geen as als je er een kunt vinden. De as van een caravan of aanhanger is gemaakt voor honderden kilo's en heeft lagers, soms ook remmen. Kijk op het plaatje wat hij mag dragen.

  1. Zet nooit ongelijke wielen op één as.
  2. Draai het wiel met de hand. Het moet soepel draaien en mag niet kloppen als je boven en onder trekt wordt getoetst.
  3. Vet de lagers. Voel na een rit aan de naaf: lauw mag, te heet om vast te houden betekent stoppen wordt getoetst.
  4. Houd luchtbanden op druk. Een zachte band kost meer kracht.
  5. Maak de kar niet breder dan de route: een pad voor karren is 2,5 tot 3 meter breed wordt getoetst (12.06 Wegen en paden).
  6. Houd het zwaartepunt van kar plus lading lager dan de spoorbreedte. Dan kantelt een stilstaande kar pas bij ongeveer 27 graden wordt getoetst.

Een houten wiel is vakwerk: naaf, spaken met pen en gat, dan de velgdelen. Klassiek is iep voor de naaf, eik voor de spaken en es voor de velg wordt getoetst. De ijzeren band wordt iets te klein gemaakt, heet om het wiel geslagen en met water gekoeld. Hij krimpt en zet alles vast. Dat vraagt een smid (09.12 Smeden: de basis). Een naaf zonder lagers vraagt vaak vet. Begin met een dicht schijfwiel van dikke planken voor lichte lasten wordt getoetst. In een droge zomer krimpt hout en komt een band los; laat hem dan opnieuw krimpen wordt getoetst.

Last verdelen

  • Zwaar laag en in het midden, gelijk over links en rechts.
  • Op een tweewielige kar: in balans boven de as. Te ver naar voren drukt op je handen of op het dier, te ver naar achteren tilt de lamoenen op.
  • Vaten helemaal vol, of goed vast. Halfvolle vaten klotsen en duwen bij het remmen wordt getoetst.
  • Sjor met een spanknoop (VK.A08 Spanknoop (vrachtrijdersknoop)) en controleer na de eerste 100 meter.
  • Til volgens VK.K02 Tillen en dragen zonder je rug te slopen. Zware dingen rol je over een plank de kar op (VK.L03 Een last op rollen verplaatsen).

Pakdier. Houd 20 procent van het lichaamsgewicht aan, zadel inbegrepen: 40 kilo voor een ezel van 200 kilo, 90 kilo voor een muildier van 450 kilo. Dat is de grens die het Amerikaanse leger noemt voor muildieren, op tochten tot 32 kilometer per dag in de bergen. Oudere teksten en wetten noemen veel meer, en de cijfers worden betwist. Wij kiezen de lage waarde, omdat je geen dierenarts hebt wordt getoetst.

  1. Leg een schoon, dik kleed onder het zadel.
  2. Een pakzadel bestaat uit twee helften met een open rug. Niets mag op de wervelkolom drukken wordt getoetst.
  3. Weeg de twee zijden. Ze moeten binnen 1 kilo gelijk zijn wordt getoetst.
  4. Hang de last hoog en dicht tegen het lijf wordt getoetst.
  5. Stel na 15 minuten singel en last opnieuw bij wordt getoetst.

Ezel en muildier

Op smalle paden en zachte grond komt een kar vaak niet, en een pakdier wel. Ezels zijn aangepast aan droge, schrale grond. Hun hoeven zijn elastischer dan die van paarden en slijten niet snel genoeg af, dus ze moeten worden bijgewerkt wordt getoetst. Een ezel laat zich moeilijk dwingen tot iets wat hij gevaarlijk vindt. Slaan helpt niet: laat hem kijken, geef hem tijd en loop voor hem uit wordt getoetst.

Een muildier komt van een ezelhengst en een paardenmerrie, en is bijna altijd onvruchtbaar. Fokken vraagt dus een merrie en een ezelhengst. Het heeft de taaiheid en vaste tred van de ezel en de snelheid van het paard, en eet minder dan een paard. Een trekmuildier weegt 370 tot 460 kilo wordt getoetst. Werk de hoeven minstens elke twee maanden bij wordt getoetst.

Hier is rijk gras het gevaar: ezels worden dik en krijgen hoefbevangenheid. Zet ze op een schrale plek met stro en onder een dak.

Paard

Een paard is sneller en sterker, maar duurder. Trekpaarden wegen 640 tot 910 kilo wordt getoetst en in Nederland zijn er weinig. De meeste paarden zijn rijpaarden, goed voor een lichte kar. Inrijden duurt weken, met iemand die het kan (VK.I03 Een paard of ezel aanspannen voor een kar).

Voer en water

№Paard 500 kiloEzel 200 kilo
1Ruwvoer per dagMinstens 1,5 tot 2 procent van het gewicht: 7,5 tot 10 kilo droge stofOngeveer 1,5 procent: 3 kilo droge stof, vooral gerstestro met wat hooi
2Per jaar2,7 tot 3,7 tonOngeveer 1,1 ton
3Water in rust21 tot 29 liter, op droog hooi bijna het dubbele18 tot 35 liter wordt getoetst
4Water bij werk in de hitteMeer dan 72 literGeen bron gevonden
5ZoutVrij beschikbaar; bij hard werk verliest hij meer dan 30 gram in 1 tot 2 uurVrij beschikbaar

Een muildier eet ongeveer 75 procent van een even groot paard. Zwaar werk vraagt 60 procent meer energie dan rust. Dat haalt een paard niet uit stro alleen, en graan voor een paard is graan dat een mens niet eet. Zet dat in de voorraad (15.07 Voorraad beheren). Reken ook de waterroute na: een ezel die 40 liter draagt en er zelf 25 drinkt, levert op een lange tocht weinig op. In de winter groeit er hier weinig gras, dus hooi en stro moeten er liggen voordat de herfst begint wordt getoetst.

Hoeven

Krab elke dag uit en werk bij zoals in VK.I02 Hoeven verzorgen. Harde wegen slijten de hoef af, natte grond geeft rotstraal. IJzers leggen is werk voor een hoefsmid. Is er geen, bouw afstand op stenen dan langzaam op en rijd op zachte bermen.

Tuig zonder wonden

  • Borsttuig. Een brede, gevoerde riem over de borst. Hij hoeft niet op maat en is goed voor lichte karren. Zit hij te hoog, dan hindert hij de ademhaling. Gebruik hem met een zwengel, zodat hij niet langs de schouders schuurt wordt getoetst.
  • Haam. Een stijve kraag die op de schouders rust en de druk over een groot vlak spreidt. Nodig voor zwaar trekwerk, en per dier op maat. Een haam die niet past, schuurt en hindert de adem wordt getoetst.
  • Broek. Laat het dier de kar afremmen bij bergaf. Op een tweewielige kar in de heuvels mag hij niet ontbreken.
  • Een ezel is anders gebouwd dan een paard. Paardentuig past vaak niet wordt getoetst.

Elke dag:

  1. Maak riemen en kleden schoon en borstel de huid. Vuil onder een riem schuurt.
  2. Stop na het eerste kwartier en voel onder elke riem met je vlakke hand wordt getoetst.
  3. Voel na het werk aan schouders, rug, borst en staartwortel. Warmte, zwelling of pijn is het begin van een wond.
  4. Is er een wond of schaafplek: het dier werkt niet tot die is genezen, of tot er niets meer op drukt (VK.I04 Eerste hulp voor dieren).

Een eerlijke werkdag

De vijf vrijheden uit 13.10 Dierhouderij begrijpen gelden ook voor werk: geen honger of dorst, geen ongemak, geen pijn of ziekte, eigen gedrag, geen angst.

  • Een dier werkt niet ziek, kreupel, hoogdrachtig of te jong wordt getoetst.
  • Reken op 4 tot 6 uur werk, met elk uur 10 minuten pauze en water wordt getoetst. Bij hitte werk je vroeg en laat.
  • Reken op 3 tot 4 km/u met last op een pad wordt getoetst, en één rustdag per week wordt getoetst.
  • Eén vaste persoon bekijkt het dier elke dag en noteert het.

Het Besluit houders van dieren verbiedt een dier te laten trekken als dat zijn krachten kennelijk te boven gaat. Ook zonder politie blijft de reden gelden: een kapot dier trekt niets meer.

Zo weet je dat het werkt

  • Je kent het gewicht van je lading en de trekkracht op het steilste stuk.
  • De kar rijdt recht, de naaf blijft lauw en er komt niets los na 100 meter.
  • De rem houdt de volle kar stil op de steilste helling van de route.
  • Het dier loopt rustig, ademt na het werk snel weer normaal en heeft geen warme plekken onder het tuig.
  • De ribben zijn voelbaar maar niet zichtbaar, en het dier blijft op gewicht.

Zo weet je dat het misgaat

  • De kar trekt scheef of een wiel slingert: stop en controleer lager, naaf en as.
  • De kar duwt het dier bergaf: te zwaar of geen broek. Laad minder, rem eerder, ga met twee mensen.
  • Het dier blijft staan of ademt zwaar: last eraf, schaduw, water. Zoek bij een ezel eerst wat hij ziet.
  • Schaafplek of witte haren op schoft of schouder: druk van het tuig wordt getoetst. Pas het aan en laat genezen.
  • Het dier wordt mager of kreupel: minder werk, meer ruwvoer, bekijk de hoeven.

Gevaar · Kar op een helling Een losgeschoten kar doodt. Loop nooit vóór of onder een geladen kar bergaf. Leg bij stilstaan altijd een blok achter een wiel. Vier een zware kar op steile stukken af aan een touw om een boom wordt getoetst. Zet nooit een lichaamsdeel tussen kar en muur. Werk je onder een kar, ondersteun hem dan met blokken (VK.L06 Een last veilig opkrikken en ondersteunen met blokken).

Gevaar · Dier en tuig Een schrikkend dier met een kar overrijdt mensen. Laat een aangespannen dier nooit alleen staan en werk met een helper aan het hoofd. Wikkel nooit een touw om je hand. Hitte en zwaar werk samen kunnen een dier doden: stop bij zwaar hijgen of als het zweten plots ophoudt wordt getoetst.

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1Een as met lagersFietswielen voor lichte last; een rechte stalen buis met bus en vet wordt getoetst
2LagervetReuzel of talg (04.15 Vet uitsmelten), en vaker smeren wordt getoetst
3Een remEen blok onder het wiel, een touw naar achteren, een tweede persoon
4HaamBorsttuig met zwengel en lichte lasten
5PakzadelTwee zakken over een dik kleed met een stijve brug, zodat niets op de rug rust wordt getoetst
6Een trekdierTwee mensen met een kar en een dwarsbeugel; breng minder per keer

Achtergrond

Een wiel haalt het schuiven weg. Wat overblijft is rolweerstand: band en grond vervormen en dat kost kracht. In zand duwt het wiel steeds een drempel voor zich uit. Op een helling til je daarnaast het gewicht omhoog, en dat verandert niet met betere wielen.

Bewijs: de rekenregel voor rolweerstand en helling A (natuurkunde). De waarden in de tabel B (handboekwaarden voor auto's, niet gemeten aan karren). Volgehouden kracht van een paard C (oude landbouwregel). Ezel 10 tot 15 procent C. Pakgrens van 20 procent C (leger, betwist). Voer en water voor paarden B (diergeneeskundig handboek). Voer voor ezels C. Tuigadvies C (praktijk). Werkdag en rustdag D.

Volgende niveau

Bouw een vaste kar uit een caravanchassis, met rem. Leg een karrenroute aan met goede afwatering (12.06 Wegen en paden) en een brug die de last draagt (12.07 Bruggen begrijpen). Maak met een andere groep een vaste vrachtroute (15.06 Ruil en samenwerking).

Controlelijst

  • Ik weet hoeveel kilo mijn kar met lading weegt en wat het steilste stuk aan trekkracht kost.
  • Mijn kar heeft een rem en een blok, en ik heb hem leeg en half vol getest.
  • Ik leg zwaar laag, in het midden en in balans boven de as.
  • Ik voel na elke rit aan de naaf.
  • Ik laad een pakdier niet boven 20 procent van zijn gewicht, links en rechts gelijk.
  • Ik voel onder elke riem en stop het werk bij een schaafplek.
  • Ik weet hoeveel voer en water mijn dier per dag en per jaar nodig heeft.
  • Ik laat een aangespannen dier nooit alleen en loop nooit onder een kar bergaf.

Verantwoording

Niet onderbouwd en daarom gemarkeerd: alles wat alleen uit Wikipedia komt (vermogens, gewichten, houtsoorten, tuig, hoeven), trekkracht van ezel en paard als deel van het lichaamsgewicht, alle bouw- en onderhoudsmaten van kar en wiel, de regel voor het zwaartepunt, het halveren op hellingen, het pakken van een lastdier in detail, werkdag, tempo en rustdag, het voelschema voor het tuig, witte haren, hitte bij dieren en paardentuig op een ezel. De pagina's van The Donkey Sanctuary en de FAO-handboeken over trekdieren waren niet bereikbaar. Een menner en een dierenarts moeten dit hoofdstuk nakijken. Getoetst door: nog niet.

Open in de app en bewaar offline