Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Navigatie, communicatie & vervoer
  4. Kaarten lezen

Hoofdstuk · Navigatie, communicatie & vervoer

Kaarten lezen

Schaal, hoogtelijnen en raster: weten waar je bent zonder stroom

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · De kaart is oud Een brug, doorgang of bron op papier bestaat misschien niet meer. Reken bij elke oversteek op een omweg. Bouw geen route op één brug (14.03 Routes voorbereiden). Een dijk, sluis of brug kan na een ramp weg zijn, en dat staat op geen enkele kaart.

Gevaar · Wat tussen de lijnen valt Een interval van 10 meter kan een steile wand van 9 meter verbergen. Op de kaart lijkt het een helling, in het land is het een afgrond, bijvoorbeeld bij een groeve in Zuid-Limburg of een zandafgraving wordt getoetst. Daal nooit een onbekende afgraving af: die kan eindigen in een wand waar je niet meer uit komt wordt getoetst.

Gevaar · Verboden terrein Militaire oefenterreinen, oude mijnen en groeves staan op de kaart maar lijken op de grond onschuldig. Op oefenterreinen kan munitie liggen, oude mijnschachten kunnen instorten wordt getoetst. Blijf er weg.

Een man en een jongen zitten op een Nederlandse dijk met een versleten kaart op hun knieën; de jongen wijst naar een verre kerktoren in de polder.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

Een telefoon met kaart werkt tot de accu leeg is of het toestel breekt. Papier vraagt geen stroom. Wie kaart leest, vindt water, een doorgang en een omweg rond gevaar in een gebied dat hij niet kent. Papieren kaarten regel je nu: na een lange uitval kun je niet rekenen op een winkel of printer.

Als er nog hulp is Heb je bij een melding aan 112 geen adres, geef dan een herkenbaar punt van de kaart door, en je rastercijfers met het soort raster.

Eerst doen

  1. Regel nu papier: de kaart 1:25.000 van je eigen omgeving en kaarten 1:50.000 van de route naar je uitwijkplek (01.08 Verplaatsen of blijven).
  2. Lees de kaartrand: schaal, jaar van uitgave, afstand tussen de hoogtelijnen, soort raster en declinatie. Schrijf wat ontbreekt er met potlood bij.
  3. Draai de kaart tot hij klopt met het land: wat links van je ligt, ligt op de kaart ook links.
  4. Zoek twee dingen die je ziet en die op de kaart staan. Zet je duim op je plek.
  5. Meet afstanden met een strook papier en reken ze om met de schaalstok op de kaart.
  6. Zet met potlood op de kaart: je drinkwater, schuilplekken, bruggen, afspreekplekken en wat je wilt vermijden.

Wat je nodig hebt

  • Papieren kaarten: 1:25.000 voor de eigen omgeving, 1:50.000 voor de route. Twee stuks van het belangrijkste blad, zodat een tweede persoon er ook een heeft.
  • Een waterdichte kaarthoes of een grote afsluitbare zak. Natte kaarten scheuren op de vouw wordt getoetst.
  • Een potlood (pen vlekt en werkt slecht op nat papier wordt getoetst), een gum, een liniaal of de rand van je kompas.
  • Een stuk dun touw of een strook papier om bochten te meten.
  • Een kompas is handig maar niet nodig om te beginnen (14.02 Een kompas gebruiken).

Werkwijze

Welke kaart je koopt

Koop de topografische kaart van het Kadaster, 1:25.000 en 1:50.000. Een blad 1:50.000 beslaat 20 bij 25 km, een blad 1:25.000 ongeveer 10 bij 12,5 km wordt getoetst. Het raster is het Rijksdriehoeksstelsel (RD), 1 km per vak wordt getoetst. Vraag een kaartenwinkel naar de Kadasterbladen van je gebied. Het is onzeker welke bladen nog op papier leverbaar zijn wordt getoetst. Lukt dat niet, print dan de digitale bladen (TOP25raster en TOP50raster) van PDOK op ware grootte. Print op 100 procent en meet na: bij 1:25.000 moet een rastervak 4 cm zijn. Een laserprint loopt minder uit dan een inkjetprint wordt getoetst.

Schaal

De schaal zegt hoeveel kleiner de kaart is dan het land. Op 1:25.000 is 1 cm op de kaart 25.000 cm in het echt: 250 meter.

№Schaal1 km op de kaart1 mm op de kaartGoed voor
11:25.0004 cm25 meterTe voet: paden, losse gebouwen, sloten
21:50.0002 cm50 meterFiets en lange routes: meer land, minder detail

Hoe groter het getal achter de dubbele punt, hoe meer land en hoe minder detail. Kleine paden kunnen op 1:50.000 ontbreken.

Kaartrand en legenda

Lees de rand voordat je op pad gaat.

  • Jaar van uitgave en van opname. Een kaart is zo oud als zijn laatste opname. Wegen, bruggen en bos kunnen veranderd zijn.
  • Legenda. Elke uitgever tekent anders. Leer wat bij jou water, pad, afrastering, hoogspanning en bos is. Dat zijn de zaken waar je op stuurt.
  • Hoogte. Hoogtecijfers gelden ten opzichte van NAP, ongeveer de gemiddelde zeespiegel wordt getoetst. Onder nul kan bij een doorbraak onder water lopen (02.14 Hoogwater, dijken en gemalen).
  • Declinatie. Het verschil tussen kaartnoord en kompasnoord (14.02 Een kompas gebruiken).

Hoogtelijnen

Een hoogtelijn verbindt alle punten die even hoog liggen. Stel je voor dat het water steeds een stukje stijgt: elke waterrand is een lijn. Het hoogteverschil tussen twee lijnen heet het interval. Dat staat op de kaartrand.

  • Elke vijfde lijn is meestal dikker en heeft een getal: de indexlijn.
  • Lijnen dicht op elkaar: steil. Ver uit elkaar: vlak.
  • Een kleine gesloten ring is een top, of een kuil als er streepjes naar binnen staan.
  • Een zadel ziet eruit als een zandloper: twee hoogten met een lage doorgang ertussen. Daar loopt vaak de makkelijkste weg wordt getoetst.
  • In een dal of kloof wijst de punt van de V of U in de lijnen naar boven, stroomopwaarts. Op een rug wijst de punt weg van het hoge land, naar beneden.
  • Lijnen boven dicht bij elkaar en onder ver uit elkaar: de helling wordt steiler naarmate je klimt. Omgekeerd zie je van boven de onderkant van de helling niet. Reken een helling zo uit: tel de lijnen, vermenigvuldig met het interval, deel door de afstand op de kaart. Zes lijnen van 10 meter over 200 meter is 60 gedeeld door 200: 30 procent, dat is zwaar klimmen wordt getoetst. Snelle vuistregel op 1:25.000 met een interval van 10 meter: 1 mm tussen twee lijnen is 40 procent helling, 2 mm is 20 procent. Bij een interval van 5 meter is het de helft wordt getoetst. In het lage land staan weinig of geen hoogtelijnen. Lijnen vind je vooral in Zuid-Limburg, op de Veluwe en op de Heuvelrug wordt getoetst. Elders stuur je op dijken, kades, sloten en hoogtecijfers. Een dijk van 3 meter kan daar het hoogste land in de omtrek zijn.

Het raster

Een raster geeft elke plek een getal. Lees altijd eerst langs (naar rechts), dan pas omhoog: langs de gang, dan de trap op.

  1. Zoek de lijn links van je punt en lees het getal aan de rand. Dat is je oost-getal.
  2. Schat in tienden hoe ver je punt rechts van die lijn ligt.
  3. Zoek de lijn onder je punt, lees het getal en schat weer in tienden. Dat is je noord-getal.
  4. Zo geef je een plek tot op 100 meter aan. De getallen zijn kilometers in het RD-stelsel. De Onze Lieve Vrouwetoren in Amersfoort heeft x 155, y 463 wordt getoetst. Spreek in je groep af dat je altijd het oost-getal eerst schrijft, plus het kaartblad. Een bericht zonder kaartblad en datum is weinig waard (14.08 Berichten vastleggen).

De kaart oriënteren

Oriënteren is de kaart zo draaien dat noord op de kaart naar noord in het land wijst. Doe dit als eerste, elke keer.

  • Op het land. Je weet ongeveer waar je bent. Zoek een lange lijn: een weg, kanaal, spoorlijn of dijk. Draai de kaart tot die lijn op de kaart evenwijdig loopt aan de lijn in het land. Kijk of een tweede kenmerk ook klopt.
  • Met een kompas. Leg het kompas op de kaart en draai de kaart tot de rasterlijnen evenwijdig aan de naald lopen, rood naar boven (14.02 Een kompas gebruiken).
  • Zonder kompas en zonder kenmerken. Bepaal noord uit zon of sterren (14.11 Navigeren zonder kompas). Draai daarna de kaart niet meer. Draai zelf mee als je afslaat.

Afstand meten

  1. Rechte lijn. Leg de rand van een strook papier langs de twee punten en zet twee streepjes. Leg de strook op de schaalstok onderaan de kaart en lees de afstand af.
  2. Bochtig pad. Zet een streepje bij het begin. Leg de strook langs het eerste rechte stuk, zet een streepje, draai de strook op dat punt en leg hem langs het volgende stuk. Herhaal. Meet alleen tussen het eerste en het laatste streepje. Een dun touw langs het pad werkt ook.
  3. Tel er iets bij op. Een kaart is plat en vlakt kleine bochten af. Reken op 10 tot 20 procent meer dan je meet wordt getoetst. Vergelijk onderweg je gemeten afstand met je eigen passen (VK.F09 Afstand meten met je pas).

Je plek vasthouden

  1. Vouw de kaart klein, met je gebied bovenop, en houd je duim op je plek.
  2. Kijk naar het land, niet alleen naar de kaart. Noem wat je verwacht te zien voordat je er bent: "over 500 meter een brug, dan een kerk rechts".
  3. Vink kenmerken af terwijl je loopt. Bevestig je plek bij elk bekend punt en begin daar je telling opnieuw.
  4. Klopt iets niet, ga dan niet door. Twee kenmerken die niet kloppen betekent: je zit fout, of de kaart is oud. Ga terug naar het laatste punt dat klopte. De belangrijkste regel: weet op elk moment waar je bent, ook als alles makkelijk lijkt. Dat kost minuten. Verdwaald raken kost uren.

Zo weet je dat het werkt

  • In een bekend gebied wijs je binnen vijf minuten je plek aan tot op 100 meter.
  • Je voorspelt wat je over 500 meter ziet en het klopt.
  • Je meet een pad van 2 km op de kaart en loopt het binnen 10 procent na wordt getoetst.
  • Je ziet op de kaart waar het steil wordt, voordat je er bent.
  • Je geeft een positie door in rastercijfers en een ander vindt hem terug.

Zo weet je dat het misgaat

  • Je draait de kaart om hem leesbaar te houden en raakt het noorden kwijt: leg hem weer goed en draai zelf.
  • Je past het land aan de kaart aan ("die sloot zal wel die sloot zijn"): stop, zoek een tweede kenmerk en ga zo nodig terug naar het laatste zekere punt.
  • Je loopt omhoog terwijl de kaart omlaag zegt: je bent de verkeerde kant op. Oriënteer opnieuw.
  • Een pad op de kaart is er niet: de kaart is oud of het pad is dichtgegroeid. Stuur dan op lijnen die niet verdwijnen: beken, ruggen, kanalen.
  • Gps en kaart verschillen: je toestel toont meestal graden, de kaart RD. Controleer het stelsel op de kaartrand en in je toestel wordt getoetst.
  • Je kaart wordt nat en scheurt op de vouw: droog hem plat, plak hem met tape aan de achterkant, en bewaar hem voortaan in een hoes.

Gevaar · De kaart is oud Een brug, doorgang of bron op papier bestaat misschien niet meer. Reken bij elke oversteek op een omweg. Bouw geen route op één brug (14.03 Routes voorbereiden). Een dijk, sluis of brug kan na een ramp weg zijn, en dat staat op geen enkele kaart.

Gevaar · Wat tussen de lijnen valt Een interval van 10 meter kan een steile wand van 9 meter verbergen. Op de kaart lijkt het een helling, in het land is het een afgrond, bijvoorbeeld bij een groeve in Zuid-Limburg of een zandafgraving wordt getoetst. Daal nooit een onbekende afgraving af: die kan eindigen in een wand waar je niet meer uit komt wordt getoetst.

Gevaar · Verboden terrein Militaire oefenterreinen, oude mijnen en groeves staan op de kaart maar lijken op de grond onschuldig. Op oefenterreinen kan munitie liggen, oude mijnschachten kunnen instorten wordt getoetst. Blijf er weg.

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1Papieren topografische kaartEen wegenatlas, wandel- of fietskaart, plattegrond of een kaart uit een gemeentegids. Minder detail en geen hoogtelijnen, maar veel beter dan niets
2PrinterTeken de route over met schaal, kenmerken en afstanden voordat de accu leeg is (14.05 Een lokale kaart maken)
3LiniaalDe rand van een kompas, of een strook papier met daarop de schaalstok overgenomen
4KaarthoesEen sterke afsluitbare zak, of plastic folie met tape
5SchaalstokDe rastervakken: op beide schalen is een vak meestal 1 km wordt getoetst
6KompasOriënteer op lange lijnen en op de zon (14.11 Navigeren zonder kompas)

Achtergrond

Een kaart is een verkleinde tekening van het land, van boven gezien. Doordat de aarde bol is en de kaart plat, moet de kaartmaker kiezen hoe hij dat verdeelt. Daarom bestaan er meerdere stelsels, zoals RD voor Nederland en UTM voor grote delen van de wereld wordt getoetst. Op één blad merk je daar niets van. De rasterlijnen lopen wel niet overal precies naar het echte noorden; daarover meer in 14.02 Een kompas gebruiken. Hoogtelijnen zijn de slimste vondst op de kaart. Ze maken van een plat stuk papier een landschap. Wie ze leest, ziet waar water heen stroomt, waar het zadel ligt en waar je zon krijgt. Daarom hoort kaartlezen bij het lezen van het land (13.01 Het landschap lezen). Papier is een voorraad. Kaarten worden niet meer gemaakt als de overheid stilvalt. Werk ze dus zelf bij: zet er waterpunten, afgesloten bruggen en afspraken op, en houd een lokale kaart bij (14.05 Een lokale kaart maken). Bewijs: schaal, raster en hoogtelijnen A (vaste kaartkunde, overal gelijk). Oriënteren en je plek vasthouden B (legerhandboek en bergsportopleiding). Regels voor de V in hoogtelijnen B. Toeslag van 10 tot 20 procent op gemeten afstand C (praktijkervaring). Kaart en gps combineren zonder het stelsel te controleren D.

Volgende niveau

Bepaal je plek met een kompas uit twee of drie peilingen (14.02 Een kompas gebruiken). Plan daarna een hele tocht (14.03 Routes voorbereiden). Leg kenmerken vast (14.04 Landmerken vastleggen) en teken wat de kaart niet toont (14.05 Een lokale kaart maken). Oefen elke maand: ga naar een plek die je niet kent, wijs je plek aan op de kaart en controleer met een telefoon zolang die nog werkt.

Controlelijst

  • Ik heb papieren kaarten van mijn omgeving en van mijn route naar de uitwijkplek.
  • Ik weet de schaal, het interval en het raster van mijn kaart.
  • Ik oriënteer mijn kaart op het land en met een kompas.
  • Ik lees uit de hoogtelijnen een top, een zadel, een dal en een steile helling.
  • Ik geef mijn plek in rastercijfers door, oost-getal eerst.
  • Ik meet een bochtig pad met een strook papier of touw.
  • Ik weet dat een kaart oud kan zijn en dat een wand tussen twee lijnen kan vallen.

Verantwoording

Open in de app en bewaar offline