Hoofdstuk · Navigatie, communicatie & vervoer
Het weer lezen
Een dag vooruitkijken met je ogen, een barometer en een schrift
Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.
Gevaar · Bliksem en water
- Schuil nooit onder een losse boom of in een open schuurtje.
- Ga bij onweer direct uit het water en van de boot.
- Blijf bij zware regen uit tunnels, lage doorgangen en beekdalen wordt getoetst.

Waarom dit telt
Het weer bepaalt wanneer je hooit, zaait, oogst, droogt, vist, reist en het dak repareert. Zonder weerbericht moet je de lucht zelf lezen. Wie oefent, voorspelt het weer voor de komende 12 tot 24 uur redelijk betrouwbaar; verder dan twee dagen is het gokken.
Als er nog hulp is Luister zolang het kan naar het weerbericht en vergelijk het elke dag met je eigen waarnemingen. Zo train je je oog voordat je het nodig hebt.
Eerst doen
- Begin een weerschrift. Noteer elke dag om 8 en om 20 uur: luchtdruk, wind, wolken, temperatuur, neerslag.
- Haal een barometer uit een leeg huis of maak er een (zie VK.F06 Een barometer gebruiken en zelf maken).
- Zet een lint of windvaan op een paal en markeer noord met een steen.
- Zet een regenmeter: een pot met rechte wanden op een open plek.
- Leer de tien wolkensoorten (zie VK.F05 Wolken lezen).
- Schrijf elke avond je verwachting op en vergelijk die de volgende dag.
Wat je nodig hebt
- Een barometer, een thermometer in de schaduw op anderhalve meter hoogte, een regenmeter met liniaal.
- Een windvaan of lint, een kompas of de zon (zie VK.F10 Tijd en richting uit de zon).
- Een schrift en een potlood.
Werkwijze
Wolken en wat ze voorspellen
| № | Wolk | Hoe hij eruitziet | Hoogte | Wat het voorspelt |
|---|---|---|---|---|
| 1 | Cirrus | Dunne witte strepen en haren, paardenstaarten | 6 tot 12 km | Alleen: mooi weer. Worden ze dikker en komen ze uit het westen: regen binnen 12 tot 24 uur wordt getoetst |
| 2 | Cirrostratus | Melkwitte sluier, kring om zon of maan | 6 tot 10 km | Warmtefront nadert, vaak regen binnen een dag |
| 3 | Cirrocumulus | Kleine witte schapenwolkjes in rijen | 6 tot 10 km | Wisselvallig |
| 4 | Altostratus | Grijze laag, zon als door matglas, geen schaduw | 2 tot 6 km | Regen binnen enkele uren |
| 5 | Altocumulus | Grotere grijswitte bolletjes | 2 tot 6 km | Op een zomerochtend met torentjes: onweer later op de dag |
| 6 | Nimbostratus | Donkergrijs, dicht, zonder vorm | Laag tot middel | Langdurige regen, nu |
| 7 | Stratus | Grijze deken, mist die opstijgt | Onder 500 m | Motregen, vaak opklaring in de middag |
| 8 | Stratocumulus | Grijze bobbelige laag met gaten | Onder 2 km | Droog of licht, weinig verandering |
| 9 | Cumulus | Witte bloemkolen met platte onderkant | 0,5 tot 2 km | Mooi weer. Groeien ze voor de middag hoog uit: buien |
| 10 | Cumulonimbus | Toren met aambeeld, donkere onderkant | Tot 12 km | Buien, onweer, hagel en windstoten binnen een uur |
Een front herkennen
Een warmtefront kondigt zich lang aan. Eerst cirrus, dan een sluier met een kring om de zon, dan een grijze laag waar de zon doorheen schemert, dan lage donkere wolken en urenlang regen. De luchtdruk daalt al die tijd. De wind krimpt: hij draait tegen de klok in, van west naar zuid. Een koufront komt snel. Een donkere wolkenmuur, harde windstoten, een korte hevige bui, soms onweer. Daarna ruimt de wind naar west of noordwest, met de klok mee. De temperatuur daalt, de druk stijgt en het wordt helder met losse buien. Regel van Buys Ballot: ga met je rug naar de wind staan. Het lagedrukgebied ligt dan links van je, iets naar voren. Krimpt de wind en daalt de druk, dan komt het lagedrukgebied naar je toe.
Luchtdruk en de barometer
Gemiddeld is de luchtdruk 1013 hPa. In Nederland varieert hij van ongeveer 960 tot 1050. Het getal zelf zegt weinig; de verandering in drie uur zegt veel. Negeer woorden als "mooi" en "regen" op de wijzerplaat.
| № | Verandering in 3 uur | Wat het betekent |
|---|---|---|
| 1 | Stijgt langzaam | Verbetering, rustig weer |
| 2 | Minder dan 1 hPa | Weinig verandering |
| 3 | Daalt 1 tot 3 hPa | Verslechtering binnen 12 tot 24 uur |
| 4 | Daalt 3 tot 6 hPa | Regen en wind binnen 6 tot 12 uur wordt getoetst |
| 5 | Daalt meer dan 6 hPa | Storm op komst wordt getoetst |
| 6 | Stijgt snel na een daling | Front voorbij, harde wind uit het noordwesten, buien |
Wind
Wind heet naar waar hij vandaan komt: een westenwind waait uit het westen. Schat de kracht met de tabel.
| № | Bft | Naam | km per uur | Zo zie je het op land |
|---|---|---|---|---|
| 1 | 0 | Stil | 0 tot 1 | Rook stijgt recht op |
| 2 | 1 | Zwak | 1 tot 5 | Rook drijft af, een vaan beweegt niet |
| 3 | 2 | Zwak | 6 tot 11 | Wind voelbaar op je gezicht, bladeren ritselen |
| 4 | 3 | Matig | 12 tot 19 | Bladeren en twijgjes bewegen steeds, een vlag wappert |
| 5 | 4 | Matig | 20 tot 28 | Stof en papier waaien op, kleine takken bewegen |
| 6 | 5 | Vrij krachtig | 29 tot 38 | Kleine bomen zwaaien, golfjes met witte koppen op meren |
| 7 | 6 | Krachtig | 39 tot 49 | Grote takken bewegen, draden fluiten |
| 8 | 7 | Hard | 50 tot 61 | Hele bomen bewegen, lopen tegen de wind in is zwaar |
| 9 | 8 | Stormachtig | 62 tot 74 | Twijgen breken af, lopen gaat bijna niet |
| 10 | 9 | Storm | 75 tot 88 | Dakpannen waaien weg |
| 11 | 10 | Zware storm | 89 tot 102 | Bomen waaien om, flinke schade |
Weerspreuken met bewijsstempel
| № | Spreuk | Stempel | Waarom |
|---|---|---|---|
| 1 | Avondrood, mooi weer aan boord; morgenrood, water in de sloot | B | Het weer komt hier meestal uit het westen. Een rode avondlucht betekent heldere lucht in het westen |
| 2 | Een kring om de maan, de regen komt eraan | B | De kring is een halo in cirrostratus, de voorbode van een warmtefront. Vaak, niet altijd, volgt binnen een dag regen wordt getoetst |
| 3 | Dauw op het gras, mooi weer | B | Dauw vormt bij heldere hemel en weinig wind: hogedruk |
| 4 | Ochtendmist, mooie dag | B | Geldt voor mist na een heldere nacht, vooral in zomer en herfst |
| 5 | Zwaluwen laag, regen op komst | C | Bij vochtig, bewolkt weer vliegen insecten lager. Voorspelt hooguit enkele uren |
| 6 | Maart roert zijn staart | B | Als klimaatregel klopt het: maart is wisselvallig |
| 7 | Dennenappels gaan dicht, regen | B | Ze reageren op vocht in de lucht nu, niet op morgen |
| 8 | Koeien liggen in de wei, regen | D | Geen verband gevonden |
| 9 | Regen op Sint Medardus, veertig dagen regen | D | Klopt niet |
Dauw, mist en nachtvorst
Een heldere, windstille nacht koelt sterk af. Er komt dauw of rijp en vaak volgt een zonnige dag. Een bewolkte nacht blijft warmer. Voor de moestuin: is het om 20 uur helder, windstil en kouder dan 5 °C, dan is nachtvorst goed mogelijk wordt getoetst. Dek jonge planten af (zie 13.05 Teeltplanning).
Halo's en kringen
Een grote kring om zon of maan heeft een straal van 22 graden. Strek je arm en spreid je hand: van duim tot pink is ongeveer 20 graden. Past de kring daar net omheen, dan is het een halo uit ijskristallen. Een kleine gekleurde kring vlak om de maan is een corona uit waterdruppels. Die zegt weinig.
Gedrag van dieren, eerlijk bekeken
De meeste dieren reageren op het weer van nu: vocht, luchtdruk, wind. Zwaluwen, bijen en spinnen kunnen je hooguit een paar uur waarschuwen. Geen dier voorspelt een strenge winter. Dikke vachten en veel bessen zeggen iets over de afgelopen zomer, niet over de komende winter (stempel D).
Het weer in Nederland
Het weer komt meestal uit het westen. Elke paar dagen trekt een front over, het regent het hele jaar door, ongeveer 850 mm. Stormen vallen vooral van oktober tot maart. Let op deze situaties:
- Hittegolf: het KNMI spreekt daarvan bij minstens 5 dagen van 25 °C of warmer, waarvan 3 van 30 °C of warmer, gemeten in De Bilt wordt getoetst. Drink extra en blijf in de heetste uren binnen (zie 01.13 Onderkoeling en oververhitting).
- Oostenwind: brengt bij hogedruk droge lucht. In de winter kan dat strenge vorst geven, in een droge lente brandgevaar op heide en in de duinen wordt getoetst.
- Noordwesterstorm: stuwt zeewater tegen de kust op. Zie 02.14 Hoogwater, dijken en gemalen wordt getoetst.
- Zware zomerbui: veel water in korte tijd. Straten en lage doorgangen lopen vol wordt getoetst.
Onweer en bliksem
Tel de seconden tussen flits en donder. Deel door drie: dat is de afstand in kilometers.
- Tel je minder dan 30 seconden, ga dan direct naar binnen.
- Schuil in een stenen gebouw, uit de buurt van leidingen en ramen, of in een auto met een metalen dak.
- Wacht 30 minuten na de laatste donder voordat je weer naar buiten gaat. Ben je buiten zonder schuilplek:
- Ga weg van water, toppen, hekken, fietsen en losse bomen.
- Spreid een groep, minstens 5 meter tussen elke persoon wordt getoetst.
- Hurk op je tenen, voeten tegen elkaar, handen over je oren, liefst op een droge mat. Dit verkleint het risico, maar beschermt niet echt (stempel C). Iemand die door bliksem is getroffen, is niet geladen. Raak hem direct aan en begin met reanimeren als hij niet ademt (zie 07.16 Acute noodgevallen).
Zo weet je dat het werkt
- Je weerschrift is elke dag ingevuld, twee keer.
- Na drie maanden oefenen klopt je verwachting voor morgen vaker dan zeven van de tien keer.
- Je ziet een front aankomen voordat het regent.
- Niemand staat buiten als het onweer dichterbij is dan 10 km.
Zo weet je dat het misgaat
- Je verwachting klopt minder dan de helft van de keren: je let op één teken. Combineer altijd wolken, luchtdruk en wind.
- De barometer geeft vreemde sprongen: hij staat in de zon of is verplaatst. Hang hem op een vaste plek binnen.
- Je wordt verrast door middagonweer: kijk elke ochtend om 11 uur of cumuluswolken hoog uitgroeien.
Gevaar · Bliksem en water
- Schuil nooit onder een losse boom of in een open schuurtje.
- Ga bij onweer direct uit het water en van de boot.
- Blijf bij zware regen uit tunnels, lage doorgangen en beekdalen wordt getoetst.
Als je iets mist
| № | Mis je | Gebruik dan |
|---|---|---|
| 1 | Barometer | Een hoogtemeter van een horloge, of een zelfgemaakte barometer (zie VK.F06) |
| 2 | Thermometer | Noteer of water in een emmer bevriest, en of er dauw of rijp ligt |
| 3 | Regenmeter | Een blik of pot met rechte wanden en een liniaal |
| 4 | Windvaan | Een lint, rook, een natte vinger |
| 5 | Kompas | De zon of de Poolster (zie VK.F10 en VK.F11) |
Achtergrond
Boven Nederland stroomt de lucht hoog in de atmosfeer meestal van west naar oost. Lagedrukgebieden trekken daarin mee. In een lagedrukgebied stijgt lucht op. Opstijgende lucht koelt af, waterdamp condenseert en er ontstaan wolken en regen. Daarom daalt de druk voordat het slecht weer wordt. In een hogedrukgebied daalt lucht. Die lucht warmt op en droogt, en wolken lossen op. De volgorde van wolken bij een front ontstaat doordat warme lucht als een flauwe helling over koude lucht schuift: de hoogste wolken zie je eerst.
Volgende niveau
- Richt een weerstation in voor de gemeenschap met vaste meettijden en een jaarboek.
- Leg na een paar jaar de gemiddelden vast: eerste en laatste vorst, natte en droge maanden.
- Vorm met dorpen stroomopwaarts een keten die hoogwater en zware regen met signalen doorgeeft.
- Leer jongeren het weerschrift bijhouden en lezen.
Controlelijst
- Ik houd twee keer per dag een weerschrift bij.
- Ik herken de tien wolkensoorten en weet wat ze voorspellen.
- Ik lees de verandering op de barometer in drie uur, niet het getal.
- Ik pas de regel van Buys Ballot toe.
- Ik tel de seconden tussen flits en donder en ga binnen onder 30.
- Ik weet wat een hittegolf, oostenwind en noordwesterstorm hier betekenen.
Verantwoording
Wolkenatlas en uitleg van de Wereld Meteorologische Organisatie en het KNMI; de schaal van Beaufort; klimaatgegevens en de definitie van een hittegolf van het KNMI; richtlijnen over bliksemveiligheid van weerdiensten en reddingsorganisaties; onderzoek naar de betrouwbaarheid van weerspreuken. Getoetst door: nog niet.