Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Materialen & gereedschap
  4. Spinnen, breien en weven

Hoofdstuk · Materialen & gereedschap

Spinnen, breien en weven

Van vacht en stengel naar draad, trui en stof

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

Gevaar · Water, hitte en dieren

  • Rot vlas, hennep of brandnetel nooit in of bij water dat je drinkt of waar vee drinkt. Het rotwater stinkt, ontneemt het water zuurstof en doodt vissen. Houd minstens 50 meter afstand van een put of bron wordt getoetst.
  • Heet waswater van 70 °C geeft in seconden brandwonden. Werk met handschoenen of stokken.
  • Schapen die niet geschoren worden, kunnen in de zomer sterven aan hitte of vliegenmaden. Scheer ze elk voorjaar.
Drie mensen op een bank bij een boerderij aan de dijk: een vrouw spint met een valspindel, een man breit een sok, een meisje windt garen tot een bol.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarom dit telt

Over een paar jaar is de laatste trui versleten en de laatste klos garen op. Wie dan draad kan maken van wol, vlas of brandnetel, en daar sokken van breit of stof van weeft, houdt een gemeenschap gekleed. Begin nu: spinnen is traag en vraagt maanden oefening voordat je goed garen maakt.

Als er nog hulp is Haal nu nog spinnewielen, breinaalden en weefgetouwen van zolders, uit kringloopwinkels en musea voor volkscultuur. Leer de basis bij een breiclub of spinvereniging zolang die er nog is.

Eerst doen

  1. Verzamel alle garen, breinaalden, haaknaalden en versleten wollen truien die je kunt vinden.
  2. Gooi geen enkele kapotte trui weg. Uitgehaald garen is je snelste voorraad.
  3. Vraag in je groep en buurt wie kan breien, haken, spinnen of weven.
  4. Laat schapen die nog rondlopen elk voorjaar scheren. De meeste rassen verliezen hun vacht niet zelf, krijgen het te warm en krijgen maden in de vuile wol. Bewaar die wol.
  5. Leer eerst breien met uitgehaald garen. Daarna spinnen, daarna weven.
  6. Markeer in de zomer plekken met grote brandnetels en verwilderd vlas of hennep.

Wat je nodig hebt

  • Vezels: schapenwol, uitgehaalde truien, vlas, brandnetel, hennep.
  • Spinnen: een handspindel (zelf te maken, zie VK.H11 Spinnen met een handspindel), twee hondenborstels met metalen pinnen als kaarden.
  • Breien: breinaalden van 3 tot 6 mm, ook zelf te maken van hardhouten stokjes of fietsspaken.
  • Weven: een weefraam van vier latten en spijkers, een plat latje als schietspoel, een vork of grove kam.
  • Wassen en vilten: grote pannen of emmers, een thermometer als je die hebt, zeep, een rieten mat of oude handdoek.

Werkwijze

Vezels kiezen

№VezelWaarGoed voorLet op
1SchapenwolSchapen op dijken, weides, kinderboerderijenSokken, truien, dekens, viltMoet gewassen; vilt bij hitte en wrijving
2Uitgehaald garenVersleten breiwerkDirect breien en stoppenWerkt niet bij afgeknipte machinenaden
3VlasAkkers in Zeeland en het noorden, zelf zaaienLinnen, naaigaren, touwLange bewerking: roten, braken, zwingelen
4BrandnetelBosranden, slootkanten, overalTouw, garen, grove stofLage opbrengst per stengel
5HennepVerwilderde akkers, zelf telenTouw, zeil, grove stofStug, sterk, ook nat sterk

Truien uithalen

Een met de hand of machine gebreide trui met gehaakte of gebreide naden is een bol garen in vermomming. Kijk eerst in de naad: zie je afgeknipte randen met een zigzagnaad eroverheen, dan krijg je alleen korte stukjes.

  1. Tor de naden los met een tornmesje of kleine schaar. Begin bij de mouwen.
  2. Zoek bovenaan elk deel het eind van de afkantrand. Trek het draadje los.
  3. Trek het garen eruit en wind het om een stoelleuning of je onderarm en elleboog tot een streng.
  4. Bind de streng op vier plekken los af met een draadje.
  5. Maak de streng nat en hang hem op met een emmer water van 1 tot 2 liter eraan. Na drogen zijn de kronkels weg.
  6. Wind het garen op tot bollen. Wind losjes, anders rekt het.

Wol wassen en kaarden

Ruwe wol zit vol vet (lanoline), zweetzout, mest en plantendelen. Lanoline smelt pas boven ongeveer 40 °C wordt getoetst; koud wassen haalt het niet weg.

  1. Spreid de vacht uit en haal de randen met mest, klitten en buikwol eraf. Die gaan naar de composthoop of worden isolatie.
  2. Week de wol een nacht in koud water. Dat haalt zweetzout en losse vuil eruit.
  3. Vul een emmer met water van 60 tot 70 °C wordt getoetst en een flinke scheut vloeibare zeep. Leg de wol er voorzichtig in en duw hem onder. Roer niet, knijp niet.
  4. Laat hem 20 minuten staan. Til hem eruit en laat hem uitlekken.
  5. Herhaal met schoon heet zeepwater tot het water bijna helder blijft, meestal 2 tot 3 keer.
  6. Spoel twee keer in water van dezelfde temperatuur. Een plotseling koude spoeling laat de wol vilten.
  7. Druk het water eruit in een handdoek en droog de wol op een rek in de schaduw.
  8. Kaard de wol. Leg een plukje op de linkerkaard, haal de rechterkaard er een paar keer licht overheen in tegengestelde richting tot alle vezels dezelfde kant op liggen. Rol het vlies van de kaard tot een losse rol: een rolag. Zonder kaarden pluk je de lokken met je vingers los.

Spinnen en twijnen

Spinnen geeft vezels draai, en draai maakt van losse vezels een draad. Met een handspindel maak je in het begin zo'n 20 tot 50 meter garen per uur wordt getoetst. Een trui vraagt al gauw 1.000 tot 1.500 meter wordt getoetst. Spinnen is dus een dagtaak voor meerdere mensen: vroeger spon men tijdens het lopen, wachten en praten. Zie VK.H11 Spinnen met een handspindel.

  • Spin enkeldraad met de klok mee (Z draai).
  • Twijn twee enkeldraden samen tegen de klok in (S draai). Getwijnd garen is sterker, gelijkmatiger en krult niet.
  • Gebruik voor sokken altijd getwijnd garen. Enkeldraad slijt veel sneller.

Vlas en brandnetel verwerken

Plantenvezels zitten in de stengel, rond een houtige kern. Je moet de lijm tussen vezel en hout laten wegrotten en daarna het hout eruit breken.

  1. Trek vlas in de zomer met wortel en al uit de grond als de onderste helft van de stengel geel is, ongeveer 100 dagen na zaaien wordt getoetst. Snijd brandnetels in augustus of september zo laag mogelijk af. Draag handschoenen.
  2. Strip de bladeren af en droog de stengels in bossen.
  3. Rot de stengels: leg ze dun uit op kort gras en keer ze na 1 week (dauwroten, 2 tot 4 weken), of leg ze onder water in een bak of sloot (waterroten, 1 tot 2 weken bij zomertemperatuur) wordt getoetst.
  4. Test elke paar dagen: breek een stengel. Laten de vezels makkelijk los van het hout, dan is het klaar. Te lang roten maakt de vezels zwak.
  5. Droog de stengels opnieuw helemaal.
  6. Braak de stengels: sla ze met een houten hamer of knak ze in een vlasbraak tot het hout in stukjes breekt.
  7. Zwingel: hang een bos over een plank en sla het losse hout eruit met een houten mes.
  8. Hekel: haal de vezels door een kam van spijkers in een plank, eerst grof, dan fijn. De lange vezels spin je tot linnen, de korte (werk) tot grof touw.
  9. Spin vlas en brandnetel vochtig. Houd een kommetje water naast je en maak je vingers nat.

Breien

Breien gaat sneller dan weven, je hebt alleen twee naalden nodig, en gebreide stof rekt mee met het lichaam. Ideaal voor sokken, mutsen, wanten en truien. Begin met een sjaal of muts in ribbelsteek (elke rij recht), zie VK.H12 Breien: opzetten, recht breien en afkanten. Voor sokken brei je rond op vier of vijf korte naalden met twee punten.

Weven

Geweven stof is sterker en winddichter dan gebreide stof en rafelt minder bij slijtage. Een eenvoudig weefraam van vier latten maakt lappen tot 40 bij 40 cm: genoeg voor verstelstukken, tassen, sjaals en, aan elkaar genaaid, een deken. Zie VK.H13 Weven op een eenvoudig weefraam. Voor stof op lengte heb je een groter weefgetouw nodig (niveau III).

Vilten

Wolvezels hebben schubjes. Met heet zeepwater en wrijving haken die in elkaar en krimpt de wol tot een dichte, warme lap. Vilt rafelt niet en hoeft niet gesponnen te worden.

  1. Leg drie dunne lagen gekaarde wol op een rieten mat of handdoek, elke laag haaks op de vorige. Maak het 30 % groter dan je eindmaat wordt getoetst.
  2. Giet er heet zeepwater over tot alles nat is. Leg er een stuk vitrage of vliegengaas op.
  3. Wrijf 10 minuten zacht met vlakke handen, daarna steviger.
  4. Haal het gaas weg. Rol de lap op in de mat en rol die 100 keer heen en weer. Draai de lap een kwartslag en herhaal vanuit elke richting.
  5. Gooi de lap een paar keer hard op tafel en spoel om met heet en koud water.
  6. Test met de knijptest: til wat vezels met je vingers op. Komen ze niet meer los, dan is het vilt klaar. Gebruik vilt voor inlegzolen, wanten, mutsen, ringkussens voor blaren en isolatie. Gebreide of geweven wol kun je ook vilten (vollen): de stof wordt dichter, warmer en houdt wind beter tegen.

Zo weet je dat het werkt

  • Je garen is over 10 meter even dik en breekt niet als je een stuk van 30 cm hard tussen twee handen trekt.
  • Een gebreide lap heeft aan het eind evenveel steken als bij het opzetten.
  • Een geweven lap is aan boven en onderkant even breed.
  • Gewassen wol ruikt fris, voelt zacht en is niet vervilt.

Zo weet je dat het misgaat

  • Garen valt uit elkaar bij trekken: te weinig draai. Laat de spindel langer draaien voordat je de draai omhoog laat lopen.
  • Garen krult en knoopt in zichzelf: te veel draai. Trek sneller vezels uit, of twijn het.
  • Wol is na het wassen een harde viltlap: je hebt geroerd, geknepen of van heet naar koud gespoeld. Was voortaan zonder bewegen, op één temperatuur.
  • Weefsel wordt naar boven toe smaller: je trekt de inslag te strak. Leg elke inslag in een boogje voordat je aanslaat.
  • Vilt wil niet vilten: de wol is behandeld tegen vilten (wasmachinewol) of gemengd met kunstvezel. Gebruik ruwe schapenwol.
  • Vlas breekt in korte stukjes: te lang geroot. Test de volgende keer vaker.

Gevaar · Water, hitte en dieren

  • Rot vlas, hennep of brandnetel nooit in of bij water dat je drinkt of waar vee drinkt. Het rotwater stinkt, ontneemt het water zuurstof en doodt vissen. Houd minstens 50 meter afstand van een put of bron wordt getoetst.
  • Heet waswater van 70 °C geeft in seconden brandwonden. Werk met handschoenen of stokken.
  • Schapen die niet geschoren worden, kunnen in de zomer sterven aan hitte of vliegenmaden. Scheer ze elk voorjaar.

Als je iets mist

№Mis jeGebruik dan
1KaardenTwee hondenborstels met metalen pinnen, of plukken met de vingers
2SpindelEen stok met een aardappel, houten schijf of gebakken kleischijf als gewicht
3BreinaaldenHardhouten stokjes, schoongeschuurd, of fietsspaken met afgeronde punten
4WeefraamEen oud schilderijlijstje of een stevige kartonnen doos voor een klein proeflapje
5Zeep voor wolZeepkruid of zelfgemaakte zeep (11.04 Zeep maken)
6SchietspoelEen plat latje met een inkeping aan elk eind
7WolHondenhaar of konijnenwol gemengd met wat schapenwol

Achtergrond

Losse vezels glijden langs elkaar. Draai drukt ze tegen elkaar, en de wrijving houdt ze vast: hoe meer draai, hoe sterker, tot de draad hard en kroezig wordt. Bij twijnen draai je twee draden in tegengestelde richting om elkaar heen, zodat de draai in balans komt en het garen niet krult. Wolvezels zijn bedekt met kleine schubjes, als dakpannen. Bij warmte, zeep en beweging gaan de schubjes open en haken ze in elkaar: dat is vilten. Daarom was je wol zonder beweging. Vlas, brandnetel en hennep bestaan uit cellulose, net als katoen. Ze vilten niet, zijn nat zelfs sterker dan droog, maar houden minder warmte vast dan wol.

Volgende niveau

  • Bouw of zoek een spinnewiel. Het spint meerdere keren sneller dan een spindel wordt getoetst.
  • Bouw een groot weefgetouw voor stof op lengte, of een gewichtweefgetouw zoals in de ijzertijd.
  • Verf garen met planten: uien schillen, walnootdoppen, meekrap. Zoek eerst uit welke beitsmiddelen veilig zijn.
  • Teel elk jaar een veld vlas en houd een kleine kudde schapen, samen met 13.10 Dierhouderij begrijpen.

Controlelijst

  • Alle versleten wollen breiwerk wordt uitgehaald, niet weggegooid.
  • Er is een voorraad gewassen wol, droog en motvrij bewaard.
  • Minstens drie mensen kunnen breien en minstens twee kunnen spinnen.
  • Schapen in de omgeving worden elk voorjaar geschoren en de wol wordt bewaard.
  • Vlas, hennep en brandnetel worden ver van drinkwater geroot.
  • Er zijn breinaalden in minstens drie maten en een werkend weefraam.

Verantwoording

Traditionele kennis van spinners, wevers en vlasbewerkers zoals beschreven in handboeken over handspinnen en huisvlijt; museale praktijk van openluchtmusea in Nederland; kennis van wolwassen en vilten uit de ambachtelijke viltpraktijk. Getoetst door: nog niet.

Open in de app en bewaar offline