Het Nulpunt, startpagina
  1. Home
  2. Kennis
  3. Water & sanitatie
  4. Een dekzeil opzetten in vijf vormen

Vaardigheid · Water & sanitatie

Een dekzeil opzetten in vijf vormen

Beschutting tegen regen, wind en zon met één zeil en touw

Concepttekst. Nog niet getoetst door een vakdeskundige. Volg altijd actuele instructies van de overheid en hulpdiensten. Bij acuut gevaar: bel 112.

VK.L05: vier verschillende scènes voor een dekzeil opzetten, met handmatig gezette uitleg.
Gegenereerd beeld, geen praktijkfoto.

Waarvoor

Eén dekzeil van 3 x 4 m en een bos touw geven een droge slaapplek, een overdekte kookplek, schaduw, een windscherm of een regenvanger. Kies de vorm op weer en plek: wind vraagt laag en dicht, zon vraagt hoog en open.

Wat je nodig hebt

  • Een dekzeil van 3 x 4 m met ogen.
  • Een spanlijn van 10 m en zes lijnen van 2 tot 3 m.
  • Zes haringen of stokjes van 30 cm, schuin gepunt.
  • Twee bomen of palen op 4 tot 5 m afstand.

Stappen

Basis

  1. Span de spanlijn tussen twee bomen: een paalsteek (VK.A03) aan de ene boom, een spanknoop (VK.A08) aan de andere.
  2. Zet hoeken vast aan haringen met een mastworp (VK.A04), schuin weg van het zeil in de grond.
  3. Zonder oog: leg een steentje in de hoek van het zeil, vouw het zeil eromheen en leg een mastworp om de nek onder het steentje.

Vorm 1: afdak (lean to)

  1. Span de lijn op 1,2 tot 1,5 m hoogte.
  2. Bind de lange rand van het zeil langs de lijn.
  3. Zet de andere lange rand met haringen vast aan de grond, aan de kant van de wind. Goed voor: kookplek, kort verblijf, warmte van een vuur voor de open kant.

Vorm 2: nok (A vorm)

  1. Span de lijn op ongeveer 1 m hoogte.
  2. Hang het zeil met het midden over de lijn.
  3. Zet beide lange randen met haringen vast, laag bij wind en regen, 30 cm hoog bij warm weer. Goed voor: slapen in regen.

Vorm 3: ruit (diamond)

  1. Bind één hoek aan een boom op 1,2 tot 1,5 m.
  2. Zet de tegenoverliggende hoek aan de grond, in de richting van de wind.
  3. Span de twee zijhoeken uit met haringen. Goed voor: één steunpunt, wind, snel opzetten.

Vorm 4: nok met vloer

  1. Span de lijn laag, op 70 tot 80 cm.
  2. Verdeel de breedte van het zeil in drie gelijke delen: twee wanden en een vloer.
  3. Laat één wand tot de grond lopen en vouw het derde deel naar binnen als vloer.
  4. Zet de rand van de andere wand met haringen vast op de rand van de vloer. Goed voor: natte grond, koude wind, maar condens aan de binnenkant.

Vorm 5: plat zeil en regenvanger

  1. Bind de vier hoeken hoog aan bomen of palen, op ongeveer 2 m.
  2. Laat één hoek 30 cm lager zakken boven een emmer: regen loopt daarheen (02.03).
  3. Gebruik het bij warm weer als zonnezeil, met één kant hoger zodat warme lucht weg kan.

Zo controleer je het

  • Het zeil klappert niet in de wind.
  • Regen loopt af en blijft nergens in een plas op het zeil staan.
  • De open kant ligt van de wind af.

Veelgemaakte fouten

  • Een slap zeil: water verzamelt zich, het zeil scheurt. Span bij.
  • Het afdak met de open kant naar de wind: het zeil wordt een vlieger.
  • Water dat langs de spanlijn naar binnen loopt: knoop een touwtje aan de lijn vlak buiten het zeil, zodat druppels daar afvallen.
  • Vuur te dicht bij het zeil: het smelt.

Oefenen Zet alle vijf de vormen op één middag op, elke vorm binnen 15 minuten.

Proeve Je zet alleen een nok op in 10 minuten, en slaapt er een nacht droog onder.

Open in de app en bewaar offline